door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze, 3 maart 2020,

Het woord ‘klavierleeuw’ is onder de liefhebbers van pianorecitals een dubieus begrip geworden. Tijdens de spectaculaire optredens van Franz Liszt, de grootste klavierleeuw van de 19e eeuw, hingen de heren in de kroonluchters terwijl de dames in katzwijm vielen. Bij de optredens van Rachmaninoff, de ongeëvenaarde klavierleeuw van de 20ste eeuw, ging het er al beschaafder aan toe, maar publiek, pers en collega’s hingen bij zijn fenomenale pianospel ademloos aan zijn lippen. Maar in onze tijd zijn er zoveel virtuoos spelende klavierleeuwen, dat het woord eigenlijk geen betekenis meer heeft. Martha Argerich, de enige klavierleeuw onder de vrouwelijke pianisten, is meer een klaviertijgerin. Een op masculien krachtsvertoon gerichte pianist als Denis Matsuev een klavierleeuw noemen, staat bijna gelijk aan zeggen dat hij er ordinair op los hamert. Na al die klavierleeuwen uit het verleden is de pianokenner van nu meer gericht op pianovirtuozen die uitblinken in noblesse, diepgang en verfijning.

Het interessante aan de Russische meesterpianist Alexei Volodin (1977) is dat hij met zijn spraakmakende virtuositeit zowel een ouderwetse klavierleeuw is, als een expressieve en volkomen integere musicus. Voortkomend uit de school van de befaamde Heinrich Neuhaus, de godfather van de Russische pianoschool, is Volodin gericht op een expansieve sonoriteit. Zijn klank is diep, groot en warm en het pedaal wordt veelvuldig ingezet om aan de vleugel orkestrale kwaliteiten te verlenen. Tegelijkertijd wordt er geen noot onder tafel geveegd en klinken donderende octavenpassages net zo gaaf en helder als een enkel melodielijntje. In meerstemmige passages zingen alle stemmen even robuust en genuanceerd. Zijn tempi zijn soms sneller dan de wind, maar ook dan klinkt iedere frase als een toonbeeld van precisie.

Bij al dat technische vernuft, slaagt Volodin erin alles wat hij speelt doorleefd en persoonlijk te laten klinken. Zijn magistrale spel is tegelijkertijd delicaat en hemelbestormend virtuoos.

Volodin begon pas op zijn negende piano te spelen, wat voor een pianist rijkelijk laat is. Het gaf hem de ruimte om uit zichzelf voor muziek te kunnen kiezen:  ‘Ik hoorde overal muziek – opnames, concerten, televisie en toen nam muziek het gewoon over. Ik besefte al snel dat ik er meer van hou dan van al het andere. Alle leraren bij wie ik heb gestudeerd -Irina Chaklina, Tatiana Zelikman en Eliso Virsaladze – hebben me enorm beïnvloed. Ik probeerde zoveel mogelijk van hen te leren. Maar ik probeer ook  van alle geweldige musici van vroeger en nu  te leren door naar hen te luisteren. Ik denk dat iedereen dat zou moeten doen – dat is ook de beste school.’ Volodin heeft maar één levensdoel: ‘Een goede pianist te zijn. In de kunst hebben show en uiterlijk vertoon niets te zoeken.’ Hoe valt dat te rijmen met zijn ouderwets Russische klavierleeuw-attitude en zijn overdonderend virtuoze pianistiek? Je zou het kunnen vergelijken met een beeldhouwer die met grote blokken marmer werkt  om daaruit vloeiende vormen en lijnen te destilleren, die zo transparant en genuanceerd zijn uitgehakt, dat het resultaat meer lijkt op een explosie van zijden stoffen dan op gemodelleerde steen.

En zo verleidde Volodin de bezoekers van de Serie Meesterpianisten tot een ontdekkingsreis door de wonderlijke sprookjeswereld van Nikolai Medtner (1880-1951), waarvan hij acht tot de verbeelding sprekende ‘scenes’ met zoveel kleur en klank uiteenzette, dat het effect dat Volodin sorteerde met ware tornado’s aan sonore notencascades niet onderdeed voor de extra kleur en betekenislagen die de beroemde Engelse kunstenaar Arthur Rackham met zijn schitterende illustraties wist toe te voegen aan de Sprookjes van de gebroeders Grimm. Van mijmerende lyriek tot aan ontwrichtende muzikale agogiek, van tedere intimiteit tot woeste razernij, van weemoed tot aan volledige onthechting, alle elementen van Medtners soms wat bizarre maar altijd fascinerende ‘muziekverhalen’ vonden hun natuurlijke plaats in een orkestraal resonerende oceaan van pianoklanken. En daarmee hield Volodin een warm pleidooi voor deze Russische componist, die zo bezeten was van de Italiaanse kunstvormen uit de Renaissance dat hij al zijn muzikale aanwijzingen in het Italiaans noteerde en als een ware homo universalis pleitte voor de ‘eeuwige, onveranderlijke wetten van de kunst.’

Toch was het niet Medtner maar eerder Prokofiev die in zijn eendelige Derde pianosonate de klassieke idealen van de Renaissance in een samengebalde vormgeving tot uitdrukking wist te brengen: eenvoud, helderheid, balans, realisme, individualiteit en geseculariseerde ‘verlichting’. Alsof het een meesterproeve voor het aantonen van het bestaan van de Gulden Snede betrof, voegde Volodin in dit compacte pianowerk alle lijnen aaneen tot een explosief statement, waarbij de klassieke vorm, het hamerende toccata, het lyrische cantabile en de schurende harmonieën onafwendbaar oprukten naar het onheilspellende, oorlogszuchtige  en apocalyptische gedonder van de meedogenloze coda. Er was ook humor, maar dan wrang.

Na de pauze gaf Volodin een bezeten uitvoering van Rachmaninoffs Eerste sonate in d, op. 28, waarin – net als al in de voorafgaande stukken – het Dies Irae thema soms indringend opglansde als een ‘memento mori’ te midden van de woeste baren. Volodin gaf het werk met ‘sturmische’ bewogenheid gestalte en produceerde daarbij massieve klankblokken die werden afgewisseld met meditatieve lyriek. Volodin gaf tot besluit nog drie toegiften: de nobel en onverwachts intiem gespeelde Nocturne op. 15 nr. 2 in Fis van Chopin, gevolgd door de emotionele grandeur vertolkte Preludes op. 23 nrs. 10 en 7 van Rachmaninov.