Alexander Gavrylyuk imponeert in Rachmaninov en Prokofiev

Alexander Gavrylyuk imponeert in Rachmaninov en Prokofiev

door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze , 29-01-2019 

Was het de intonatie van de vleugel, de ingetogenheid van Gavrylyuk of het opkomende griepvirus in mijn hoofd? De sympathieke maestro begon zijn solorecital met een lieflijke Mozart, die zo engelachtig volmaakt en in zichzelf besloten klonk, dat ik het gevoel kreeg dat er een fluwelen doek over de Steinway lag. Of dat Gavrylyuk zich met vleugel en al in een wolkenveld hoog boven de aarde bevond, waar andere wetten gelden dan hier beneden.

Ik miste spontaniteit, verrassing en speelsheid, de Sonate in C, KV 330 klonk wat mij betreft té volmaakt. Dat lag meer aan de zorgvuldig gedoseerde en uitgebalanceerde klank dan aan de gewetensvolle fraseringen, waarmee Garvrylyuk duidelijk maakte dat Mozarts sonate wat hem betreft een mini-opera is waarin allerlei karakters zich manifesteren om beschaafd met elkaar communiceren. Ze waren er wel, die mannetjes met hoge hoed die een elegante knieval maakten voor de dames met hun zijden baljurken, maar ze raakten als het ware niet werkelijk in gesprek. De noten bleven beleefd uit de vleugel stromen alsof het een droom in plaats van een kleurrijk tafereel betrof. Mozart klonk nobel en verheven, maar miste levendigheid.

Eenzelfde soort overmaat aan gecontroleerde en gepolijste perfectie stoorde me bij de zachtjes en lieflijk ingezette vertolking van Chopins Ballade nr. 2 in F, op. 38, die vloeiend overging in de rollende, onheilspellende turbulentie van het Presto con fuoco. De afwisseling tussen het wijze stemgeluid van de denkbeeldige bard en de geagiteerde stemmen van zijn protagonisten kwam niet echt naar voren, de confrontatie tussen goed en kwaad bleef ook hier een beetje hangen in de mist van instrumentale perfectie en oververfijning. Daardoor klonken het verloren paradijs (langzame passages) en de dramatische rampspoed (snelle passages) niet contrastrijk en expressief genoeg om de luisteraar echt naar de strot te kunnen grijpen, al klonk de Chopin van Gavryulyuk zeker mooi en gevoelig.

Daarna veranderde iets wezenlijks aan de wisselwerking tussen de pianist, de zaal, de Steinway en het publiek: het doek ging als het ware open, het fluweel werd van de vleugel afgehaald, toen Gavrylyuk opnieuw met heilige toewijding aan het klinkende theater van D’Après une lecture de Dante, fantasia quasi sonata van Liszt begon. De afdaling naar het inferno waaruit geen ontsnapping meer mogelijk is, werd geloofwaardig en boeiend verbeeld, doordat Gavrylyuk nu als het ware uit zijn overbeschaafde klankkleurenpalet brak om de hel in angstaanjagend expressieve klanken tot de verbeelding te laten spreken. En dat lukte, met behoud van zijn bewonderenswaardige instrumentale perfectie, die ditmaal geheel in dienst stond van het verhaal van de muziek

Na de pauze weerklonken vier in alle opzichten uitstekend gespeelde Preludes van Rachmaninoff. Het Largo van de Prelude in Ges, op. 23 nr. 10 werd in liefdevolle coherentie uiteengezet, waarna de Prelude in Es, op. 23 nr. 6 deed denken aan de wandeling van twee geliefden in een weelderig landschap, uitmondend in een omarming bovenop de heuvel. In het  ‘Alla Marcia’ van de Prelude in g, op. 23 nr. 5, het stuk dat Rachmaninoff zó vaak moest spelen dat hij er zelf een hekel aan kreeg, brak Gavrylyuk definitief door alle laatste restjes fluweel heen. De mars klonk markant, opzwepend en spontaan, waarna ook de Prelude in gis, op. 132 nr. 12 fascineerde door de zeggingskracht van Gavrylyuks ‘bevrijde’ toucher.

Absoluut geniaal, ‘machinaal’ en verpletterend muzikaal klonk daarna de magistrale uitvoering van Prokofievs Sonate nr. 7 in Bes, op 83. Nu was Gavrylyuk volledig op stoom gekomen om de oorlogszuchtige waanzin van deze nerveuze en dreigende sonate glashelder, verwoestend, door merg en been hamerend en bij vlagen melancholiek en vol weemoed en verlangen naar een idealere werkelijkheid, over het voetlicht te brengen. Er volgden nog twee toegiften: het dromerige en wat mij betreft weer iets te omfloerst gespeelde ‘Von fremden Ländern und Menschen’ uit Schumanns Kinderszenen en het schitterend sereen en waarachtig ‘Soli Deo Gloria’ verklankte tweede deel uit Bachs Italiaanse concert BWV 971.

2019-02-08T16:52:15+00:00

Deze website maakt gebruik van cookies. Zo kunnen we content op maat aanbieden en de effectiviteit verder verbeteren. Lees onze privacy verklaring hier.

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close