door Frits van der Waa, 10 februari 2020,  De Volkskrant  ★★★★★

Al in het begin van Wagners Parsifal wordt hoorbaar hoezeer Levit de timbres van de piano kneedt en naar zijn hand zet. Igor Levit is niet alleen een buitengewone muzikant, hij kiest bovendien voor buitengewone programma’s. Bij zijn debuut in de serie Meesterpianisten, zondag in het Amsterdamse Concertgebouw, opende de 32-jarige Russisch-Duitse pianist met twee late sonates van Beethoven, muziek die bij anderen veelal de bekroning van een recital vormt. Hier was het de opmaat.

Levits Beethoven is panoramisch: kracht en delicatesse gaan schijnbaar moeiteloos samen, in wolken van klank lichten melodietonen op als pareltjes, en de muziek reikt van expansief tot totaal onthecht.

Alsof dit niet al voldoende illustreerde hoe volstrekt zijn beheersing van het muzikale tijdsverloop is, liet Levit hier de mars uit Wagners Parsifal in de bewerking van Liszt op volgen. Al in het klokkencoloriet aan het begin werd, meer nog dan in Beethoven, hoorbaar hoezeer hij de timbres van de piano kneedt en naar zijn hand zet, en dat hij de grenzen van het bijna-niets durft op te zoeken.

Toch werd ook dit stuk gereduceerd tot een minimonumentje door het daaropvolgende Adagio uit Mahlers onvoltooide Tiende symfonie. Bewerker Ronald Stevenson heeft zich voor een haast onmogelijke taak gesteld, omdat deze compositie in de orkestversie al bijkans uit zijn voegen barst. De pianoversie doet aan als een zwart-witfoto van de muziek en maakt nog scherper duidelijk wat een verbijsterend werk dit is.

Nog was de epiek niet ten einde. Als toegift – geen encore, maar een substantieel onderdeel van het programma – speelde Levit andermaal een Mahler-bewerking, nu van het Adagietto uit de Vijfde Symfonie. Nog mooier, nog boeiender, nog indringender en nog magistraler.