door Elger Niels, 7 oktober 2019,

Kun je na een pianorecital waarop voor de pauze Liszts 12 Études d’exécution transcendante en Rachmaninoffs 13 Preludes opus 32 nog hongeren naar nog meer noten? Ik had het niet van mijzelf verwacht, maar toen Boris Giltburg gisteren als eerste toegift Schumanns Arabesk inzette en we in de epiloog de volmaakt gepolijste discant uit de Fazioli van Evert Snel Piano’s – Vleugels BV hoorden verklinken in de Grote Zaal van het Het Concertgebouw Amsterdam was het zo ver dat ik er persoonlijk geen enkel bezwaar tegen zou hebben gehad om de nacht door te halen met Schumann, Schubert, Mendelssohn, Bach en zeker ook Debussy en Ravel in deze zaal door deze pianist op deze prachtige concertvleugel.

Dat zegt veel over de uitzonderlijke kwaliteit van dit openingsrecital van de serie Meesterpianisten waarin Giltburg de virtuoze hoogstandjes van Liszt en Rachmaninoff niet alleen dermate accuraat vertolkte dat menig van zijn collega’s er bijna koude rillingen van zal hebben gekregen, maar waarbij de jonge pianist ook opmerkelijke klaarheid wist te scheppen in de bulderende akkoordenmassa’s die de luisteraar bijkans overstelpen.
De bijna obligate luistermoeheid die mij in de Études d’exécution transcedante vroeger of later overvalt, trad slechts sporadisch in op momenten dat het muzikale materiaal wel wat erg dunnetjes wordt. Giltburg is er niet de pianist naar om te epateren met acrobatiek. Hij beoefent atletiek: vlekkeloos, elegant maar niet opzichtig.

Voorziet dergelijke acrobatiek dan misschien in het meeslepende element dat ik in zijn Liszt en Rachmaninoff bij al het moois toch nog miste? Ik denk van niet. De oorzaak ligt eerder in het gewicht van Giltburgs klank in het middenregister. Liszts octaven en Rachmaninoffs deciemen mogen dan wel geen horde van betekenis voor de jonge meester vormen, maar net zoals niet iedere sublieme bariton meteen ook de gedroomde Wotan is, zo mist Giltburgs toon de commanderende massa om kolossale wateren – zoals die in Liszts Etude nr.10 en Rachmaninoffs Preludes opus 32 nrs.4 te scheiden.

De fijnere details komen bij deze virtuoos feilloos tot hun recht, maar de onderstroom vergt een gewichtiger geluid dat hem misschien niet past. Zelfs al speel je de sterren van de hemel, maar roer je de zeeën niet, dan kan het uiteindelijk zo voorkomen alsof de strijd met de elementen zich op veilige afstand voltrekt – zo kwam het in elk geval op mij over. Te prijzen vond ik overigens, dat Giltburg zo integer te werk ging dat hij zich niet verlaagde tot het forceren van zijn sonoriteit. Want zoals Schumanns Arabesk beduidde – waarbij hij werkelijk ‘thuis’ leek te komen (en in iets mindere mate – ook de vertolking van Prokofievs Suggestion diabolique): Boris Giltburgs debuut in de Serie Meesterpianisten doet uitzien naar meer.