door Wenneke Savenije, 12 maart 2019

Dat Bach en de Franse pianist David Fray (1981) als twee handen op één klavier zijn, werd al duidelijk uit de prachtige documentaire ‘Sing, Swing & Think’ (2008) van Bruno Monsaigneon over Frays opnames van Bachs klavierconcerten met de Deutsche Kammerphilharmonie. De frisheid, speelvreugde, integriteit, diepgang, fijnzinnigheid en intelligentie waarmee Fray de muziek van Bach tot leven brengt werkt zó aanstekelijk, dat ik al tien jaar lang af en toe een stukje van die documentaire her-bekijk. 

Onlangs verscheen er bij Erato een nieuw Bach-album van Fray, waarop hij met zijn belangrijkste pianoleraar Jacques Rouvier en zijn oud-medestudenten Audrey Vigoureux en Emmanuel Christien de concerten voor 2, 3 en 4 piano’s speelt. Ook hier spat de positieve energie er vanaf en op de video die tijdens de opnames werd gemaakt is het vooral Fray, die haarfijn weet uit te leggen hoe Bach moet klinken en wat er zo bijzonder aan zijn muziek is.

Terzijde: op YouTube is ook Monseigneons televisiedocumentaire ‘David Fray plays Mozart’ uit 2010 te vinden, waarop Fray met Jaap van Zweden in de Abbey Road Studio’s in Londen doorneemt hoe hij Mozarts Klavierconcert Nr. 25 in C, KV 503 wil opnemen met het Philharmonia Orchestra. Van Zweden komt er nauwelijks meer aan te pas, want de jonge Franse pianist heeft zoveel bruisende muzikale ideeën en weet zo precies wat hij met iedere frase van Mozarts muziek wil uitdrukken, dat de dirigent alleen nog maar kan volgen.

En nu kwam Fray, die al eerder optrad in de Serie Meesterpianisten, naar Amsterdam om op speciaal verzoek van Marco Riaskoff de Goldbergvariaties te komen spelen, die hij nu ook gepland heeft staan voor een solorecital op 27 juni in het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, waar hij dit seizoen ‘Carte Blanche’ heeft.

Bachs Goldbergvariaties, volgens het titelblad van de oorspronkelijke uitgave uit 1741 bedoeld als ‘Klavieroefening, bestaande uit een ARIA met verscheidene veranderingen voor klavecimbel met 2 manualen, gecomponeerd voor de liefhebbers ter verstrooiing van hun gemoed’, vormen een scharniermoment in het oeuvre van de oudere Bach, die steeds indringender contrapunt ging schrijven in de ‘Stilo antico’, met als resultaat fascinerende werken als het Musikalisches Opfer en Die Kunst der Fuge.

Het is alsof de grote Bach in zijn laatste periode een heel leven in de muziek trachtte samen te vatten in fascinerend ‘abstracte’ werken, die iets hermetisch hebben (en daardoor door tijdgenoten als te ‘geleerd’ en ‘ouderwets’ werden afgedaan), maar die tegelijkertijd getuigen van universele schoonheid, wijsheid en kracht. Voor de bloedserieuze, toegewijde, nieuwsgierige en hypergevoelige Fray, die instrumentaal gezien geen problemen heeft met de als zeer moeilijk te boek staande Goldbergvariaties (welke eerder in de pianoserie ook door Maria Tipo, Murray Perahia, Evgeny Koroliov, Kit Armstrong en András Schiff werden uitgevoerd), moet het werken aan dit hoogtepunt uit Bachs oeuvre voor klavier een adembenemend avontuur zijn. Hij ging met zijn hele wezen op zoek naar de betekenis van de wiskundige structuren die Bach op magistrale wijze benutte om zijn diepste zielenleven én de geheimen van de kosmos te verklanken.

En zo kon het gebeuren dat Fray, die voor zichzelf alleen maar genoegen neemt met de allerhoogste kwaliteit van musiceren, zich wellicht nog net iets te vroeg in de arena van de Grote Zaal begaf om de essentie van Bachs Goldbergvariaties te verklanken. Merkbaar gespannen zette hij zich eenzaam maar dapper achter de vleugel om ter ere van Bach een megaprestatie te leveren, waarmee hij nog niet volledig vergroeid bleek te zijn. Niet dat er nu werkelijk dingen misgingen in muzikaal of instumentaal opzicht, maar de openingsaria weigerde te zingen en de eerste clusters van variaties kwamen niet echt los van de grond.
Desondanks waren Fray’s schitterende muzikale bedoelingen al vanaf de eerste noot hoorbaar en ook invoelbaar. Glashelder contrapunt, energieke dansbewegingen, het feilloos uitlichten van de belangrijkste basnoten, de welsprekende articulatie van de frases en de beoogde zangerigheid, de uitgebalanceerde elegantie van het meerstemmige lijnenspel, subtiele nuances en dynamische schakeringen, het was in de kiem allemaal al wel aanwezig, maar het duurde een tijdje voordat Fray werkelijk ‘loskwam’ en steeds vrijer en zangeriger ging spelen. Om de moed erin te houden en zijn overmatige zelfkritiek de baas te kunnen blijven, wapperde Fray tussen de delen door nerveus met zijn zakdoek over de toetsen om ze weer droog te wrijven. Soms ook wierp hij na afloop van een heftige variatie in spastische wanhoop beide armen achterwaarts om belemmeringen van zich af te schudden.

Al musicerend dook Fray bijna met zijn neus in de toetsen, krom voorovergebogen zittend op zijn leunstoel, zijn knieën vastgeklemd tegen de onderkant van de vleugel, slechts af en toe even het rechterpedaal beroerend met een puntje van zijn rechtervoet. Dit alles niet om Glenn Gould te imiteren, want ook al wordt hij regelmatig met deze legendarische pianist vergeleken, van diens spel moet Fray niet zoveel hebben. Hijzelf is een bewonderaar van de welsprekende natuurlijkheid waarmee Wilhelm Kempff de piano kon laten zingen en daarnaast van het lyrische, warme toucher van de romanticus Alfred Cortot.

De ware reden van zijn atypische neiging om al spelend bijna in de toetsen van de vleugel te verdwijnen, lijkt gelegen te zijn in zijn bijna krampachtig grote verlangen naar het volmaakt uitdrukken van de ultieme schoonheid van Bachs heilige noten. Er is nauwelijks een grotere contradictie denkbaar tussen de Fray aan de vleugel en de Fray na afloop van zijn optreden in de artiestenkamer. Daar staat een stralende figuur, rechtop en open, vrolijk en vol zelfvertrouwen mensen te woord te staan en hij lijkt wel een totaal ander persoon. Maar zijn eigenaardige pianohouding komt wel voort uit dezelfde geestdriftige, gevoelige, authentieke en eigenzinnige bron, maar dan volledig naar binnen gekeerd.

Halverwege het pauzeloze concert begon Bachs complexe muziek werkelijk te vloeien. Het spel van Fray kreeg gaandeweg vleugels, Bachs variaties begonnen in al hun kosmische glorie en ingewikkelde verstrengelingen te zingen en de afsluitende aria, die exact hetzelfde is als de aria waarmee het werk begint, klonk nu vrij en adembenemend mooi. Hoe fijn zou het zijn geweest als Fray de complete Goldbergvariaties vanaf dat moment nog een keer in zijn geheel had kunnen spelen! Dan hadden ze zonder twijfel de organische allure gekregen van een zwerm vogels die, in volmaakte balans en samenhang uitdijend en weer inkrimpend, op de stroom van de wind uitvliegt naar hogere sferen. Ook nu was het al een prachtig concert, maar Fray heeft muzikaal en instrumentaal zeker nog méér in zijn mars om Bachs Goldbergvariaties subliem te laten klinken. En dat is enkel een kwestie van rijpen.