door Christo Lelie, 12 maart 2019 

Sommige composities worden op slag wereldberoemd door slechts één enkele uitvoering ervan. Bij
Johann Sebastian Bachs Goldbergvariaties, BWV 988 was het de plaatopname door de geniale én
omstreden Canadese pianist Glenn Gould uit 1955 die ervoor zorgde dat dit oorspronkelijke
klavecimbelwerk een iconische pianocompositie werd. Na Gould hebben talloze pianisten Bachs ruim 5 vijf kwartier durende meesterwerk op hun repertoire gezet. De huidige generatie Bach-vertolkers verkiest het doorgaans niet om Glenn Goulds eigenzinnige pianospel te imiteren.

Met hun kennis van de barokke uitvoeringspraktijk zorgen velen van hen voor uitvoeringen die historisch dichter bij Bachs muzikale wereld staan en die tegelijk recht doen aan de expressiemogelijkheden van de piano. Een van de vertolkers die de Goldbergvariaties op deze manier speelt is de jonge Fransman David Fray. Op zondag 10 maart gaf hij er een technisch gave en muzikaal overtuigende uitvoering van in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Zijn insteek was duidelijk niet om zijn ego aan Bachs muziek op te dringen door het creëren van al te grote contrasten, maar om de muziek zelf te laten spreken en de grote lijnen in de 30 variaties gestalte te geven. Bescheidenheid en verfijning sierden zijn musiceren, dat technisch gaaf en van een weldadige eenvoud was.

Dat Fray een poëtisch toonkunstenaar is, openbaarde zich in de langzame variaties, zoals de enige twee delen in mineur (variatie 21 en 25), die hij met enorme intensiteit speelde. Subtiel maakte hij gebruik van de pianistische mogelijkheden om de muziek door dynamische schakeringen van expressie te voorzien en daarmee elke stem in het muzikale weefsel een eigen profiel te geven. Op het klavecimbel is dat niet mogelijk en komt alles aan op articulatie. Deze weloverwogen afwisseling van gebonden en kort gespeelde noten bevordert de verstaanbaarheid van de complexe en vaak zeer snelle passages in sterke mate. Uitgevoerd op piano, met zijn klank die zoveel luider en dikker is dan die van de toetsinstrumenten uit Bachs tijd, is articuleren minstens zo belangrijk als op het klavecimbel, maar pianisten maken er doorgaans weinig gebruik van. Zo ook David Fray die snelle passages vaak nogal egaal en gebonden speelde, wat in basloopjes minder gunstig voor de helderheid was. Dit speelde vooral in de virtuoze variaties die Bach bedacht voor een instrument met twee toetsenborden: daarin laat hij de handen elkaar kruisen of juist recht boven elkaar spelen. Op tweeklaviers klavecimbels is dat geen probleem, maar op een piano met maar één toetsenbord is dit
gewriemel van de vingers op dezelfde toetsen uiterst lastig. Fray wist hier schadevrij uit te komen, maar niet altijd was in dergelijke passages goed hoorbaar wat er nu precies gebeurde. De Goldbergvariaties openen en sluiten met de schitterende Aria waarop alle variaties voortborduren. Fray speelde die de eerste keer intiem, maar verwachtingvol. Toen, na de vrolijke variatie 30 waarin
Bach diverse volksliedjes laat samenklinken, de Aria opnieuw klonk, transformeerde Fray deze in een verstilde, meditatieve terugblik. Die totaal andere sfeer had ook met de perceptie van luisteraar te maken, die samen met de pianist het avontuur van dertig variaties had meegemaakt.

Indrukwekkend was de stilte die David Fray na het wegsterven van de laatste noten lang aanhield door zijn handen als versteend boven de toetsen te houden. Hiermee wist hij het ademloos luisterende publiek evenzeer te betoveren als in de briljantste passages.