door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze, 17-06-2019 

Hij heeft een hoge aaibaarheidsfactor, is vriendelijk en bescheiden. Een harde werker, voor wie het streven naar instrumentale perfectie en muzikale expressie een levenslange taak is. En nooit is het goed genoeg. Emanuel Ax (1949), die zondag zijn 70e verjaardag vierde in de Serie Meesterpianisten met een liefdevol solorecital met werken van Brahms, Benjamin, Schumann, Ravel en Chopin, benadert de hoge kunst van het pianospelen in alle nederigheid als een ambachtsman, die zich blijft verwonderen over alles wat er in een partituur valt te ontdekken. In elk detail herkent hij schoonheid en betekenis. Hij koestert de noten zoals een juwelier zijn juwelen oppoetst, totdat ze glimmen en glinsteren. Hij houdt van zijn beroep.

In NRC Handelsblad verklaarde Ax onlangs: ‘Muziek is mijn vrouw en mijn minnares, wat het voordeel heeft dat zij tegelijkertijd bekend en nieuw aanvoelt, en ik dus nooit op haar uitgekeken raak. Er valt altijd weer iets te ontdekken.’ Maar als ontdekken de focus is, altijd opnieuw en elke dag minstens vier tot vijf uur lang aan de piano, kom je er dan nog wel aan toe om als musicus je eigen verhaal te vertellen met alle noten die je speelt? Want dat is immers uiteindelijk de voorwaarde voor een spannende uitvoering, om het even welke compositie je zo integer en partituurgetrouw mogelijk probeert te vertolken.

Dat Ax nog altijd heel nerveus is voor een concert, en zelfs op yoga ging om zijn zenuwen de baas te kunnen blijven, is op zichzelf niet zo bijzonder. Bijna alle musici sterven honderd doden voordat ze het podium opgaan. Maar in het geval van Ax lijkt zijn nervositeit samen te hangen met een wellicht wat al te grote bescheidenheid en dienstbaarheid aan de partituur. Uit zijn hele houding – licht voorover gebogen naar de toetsen, elke beweging controlerend en de muziek regisserend – spreekt toewijding en betrokkenheid, maar ook een zekere mate van onvrijheid. Nooit leunt Ax even achterover om de muziek tot zich te laten komen, om de magie van de noten ergens ‘van boven’ te ontvangen, in plaats van haar op aardse wijze uit de toetsen te boetseren en modelleren. Alsof Ax net niet genoeg zelfvertrouwen heeft om zichzelf volledig te kunnen vergeten wanneer hij een stuk speelt. Om er los van te komen, om de controle te verruilen voor de extase. Pas dan zou hij vrij en spontaan helemaal op kunnen gaan in de muziek waaraan hij zo hard heeft gewerkt. Pas dan komt de vervoering.

Ax speelt piano als de man die te verlegen is om stiltes in een gesprek te durven laten vallen. Daardoor neigt zijn spel een beetje naar het lied van een veredelde draailier, een lied zonder adempauzes, spanning, contrast, onvoorspelbaarheid, verrassing, heftigheid en misschien ook wel ‘gekte’. Alles wat Ax aanraakt verandert in goud, omdat hij de noten liefheeft en de toetsen zo liefdevol naar zijn hand zet. Maar het klinkende resultaat is – hoe nobel, zangerig  en mooi Ax op veel momenten ook de noten aaneen rijgt tot verantwoorde, delicate en vloeiende fraseringen- toch een beetje spanningsloos en net iets te weinig uitgesproken.

Ax begon zijn recital met Zwei Rhapsodien op. 79 van Brahms, die hij zachtmoedig, warm van klank en overwegend lyrisch vertolkte. Zo werd Brahms aangenaam gezelschap, maar van de impulsieve, heftige en norse Brahms was geen spoort te bekennen. Karaktervoller klonken daarna de tien onderhoudende miniatuurtjes uit George Benjamins Piano Figures, door de componist omschreven als ‘aardige en gevarieerde stukjes voor jonge pianisten’, waar Ax hoorbaar plezier aan beleefde. Maar zijn spel werd wat mij betreft pas echt boeiend tijdens zijn uitgekristalliseerde en verfijnde uitvoering van Schumanns Fantasiestücke op. 12, waarin de muziek van nature compenseerde waarin Ax van nature nu juist niet zo sterk is: het creëren van innerlijke spanning, het uitlijnen van drama en het oproepen van ‘mood swings’, al behoren deze fantasierijke stukken tot de mildste en meest uitgebalanceerde werken die Schumann geschreven heeft. Ax en Schumann sloegen als het ware de handen ineen om in voorbeeldige samenspraak tot iets harmonisch te komen, dat niet zou hebben misstaan als een nachtelijke aubade onder het balkon van een onbereikbare geliefde.

In de Valses Nobles et Sentimentales van Ravel ging Ax te werk als een fijnschilder die met oog voor detail in fraaie pasteltinten zijn onderwerpen uiteenzette, met zowel ambachtelijk als artistiek gezien een bewonderenswaardig en fijnzinnig resultaat. Daarna keerde de in het tegenwoordig Oekraïense Lviv geboren Ax met vijf stukken van Chopin terug naar de muziek uit zijn kindertijd, muziek waarmee hij meer dan met alle andere vertolkte werken op het recital een zielsverbond lijkt te hebben. ‘Chopin erfde de strenge precisie van zijn Franse vader en de ongetemde hartstocht van zijn Poolse moeder’, verklaarde Ax in hetzelfde interview in NRC Handelsblad. Mogelijk denkt de pianist daarbij ook een beetje aan zijn eigen ouders, zijn Oostenrijks-Hongaarse vader die stemtherapeut was en hem meenam naar de opera van Lviv, waar hij leerde houden van ‘de lange lijnen van de menselijke stem’; zijn Poolse moeder, die tijdens de oorlog wist te ontsnappen uit een werkkamp en dankzij valse papieren de Holocaust wist te overleven. Op Lviv volgde nog twee jaar wonen in Warschau, voordat het door deoorlog getraumatiseerde gezin naar Canada emigreerde. Ax was inmiddels tien jaar, maar in Warschau had hij ‘elke piano Chopin horen ademen’. En naar die herinnering leek Ax terug te keren, terwijl hij een Nocturne, drie Mazurka’s en tenslotte het Andante spianato & Grande Polonaise brillante van Chopin vertolkte met heel zijn hart en ziel, nog steeds niet helemaal vrij en soepel fraserend zonder adempauzes (bijna spelend volgens de circulair breathing methode waarin sommige blazers excelleren), maar de weemoedige muziek van zijn geboortegrond klonk wel heel innig, nobel, sierlijk en op de bescheiden manier van Ax ook betoverend.

Hetzelfde gold voor zijn eerste toegift, de  Nocturne in Fis op. 15 nr. 2, waarna Ax een enorme bos bloemen kreeg van Marco Riaskoff en het publiek spontaan ‘Lang zal hij leven …’ begon te zingen. Helemaal opgetild door deze hartverwarmende blijken van waardering, speelde de bescheiden Ax nog een laatste toegift: de Arabesque in C op. 18 van Schumann, die vrijer, mooier en ontroerender klonk als alles wat hij daarvoor had gespeeld.