Hannes Minnaar Photo: Marco Borggreve

door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze   

De afgelopen dagen buitelden de weinige muziekrecensenten die Nederland nog rijk is van enthousiasme over elkaar heen om het debuutrecital van Hannes Minnaar (34) in de Serie Meesterpianisten tot een succes te verklaren. Terecht, want die ‘gewone’ Hollandse jongen met zijn halflange blonde krullen en zijn lachende oogopslag, pakte met zijn ontwapenende ambachtelijkheid en degelijke bevlogenheid moeiteloos het enigszins snobistische publiek van de pianoserie in, dat gewend is aan wereldsterren als Kissin, Sokolov en Zimerman.  

Alleen Ronald Brautigam, die twee keer in de pianoserie heeft opgetreden in 1992 en 1997, en Lucas en Arthur Jussen die in 2018 hun officiële debuut – een mix van duo en solo – in de serie maakten, gingen hem als Nederlanders voor. In het seizoen 2020-2021 maakt ook Thomas Beijer er zijn debuut. Het gaat dus goed met pianospelend Nederland, want aan kwaliteit doet Marco Riaskoff in zijn pianoserie geen concessies. Na afloop van ieder recital zwermt er steevast een groep jonge en oudere Nederlandse pianisten naar de ingang van de dirigentenkamer om de solist de hand te schudden. Bij Hannes Minaar ontstond een ware opstopping op de gang, want dit keer was er behalve familie, vrienden en collega’s o.a. ook zijn oude leraar Jan Wijn om de glunderende Minnaar te feliciteren met zijn zegetocht.

Het is Minnaar tot op zekere hoogte allemaal een beetje ‘overkomen’, sinds hij in 2010 tot zijn eigen schrik de Derde Prijs won op het Elisabeth Concours in Brussel, waar hij vooral aan meedeed om eens te kijken hoever hij het zou schoppen op zo’n concours. Dat leek hem een leerzame ervaring, maar het draaide uit op het begin van zijn podiumcarrière als solist. Ineens begon iedereen aan hem te trekken. Minnaar maakte daar dankbaar gebruik van maar hield ook met Hollandse nuchterheid het pianohoofd koel. Hij besloot voor de Nederlandse Muziekprijs te gaan, een leerproces van vier jaar waarin hij les nam bij de Hongaarse grootmeester Ferenc Rados, waarover Minnaar onlangs in NRC Handelsblad vertelde: ‘Een fenomeen… Die man voelt muziek zo bijzonder, zo echt. Zijn lessen duurden drie uur, maar nooit speelde ik een volledig stuk. Hij bleef eindeloos hameren op een paar noten, maar zei nooit hoe ik ze moest spelen. Dan vroeg ik of ik het pedaal moest inhouden of juist niet, gaf hij niet eens antwoord. Dat ik me bekommerde om zoiets banaals als een pedaal’…’Ik maakte alle noten even belangrijk. Hij vond: sommige zijn belangrijker dan andere.’

Diezelfde Rados, die de even nieuwsgierige als leergierige Minnaar hoog heeft zitten vanwege zijn ‘sympathieke openheid’ en ‘de volkomen eigen manier waarop hij muziek begrijpt’, heeft wel eens gezegd dat hij het spel van zijn van huis uit gereformeerde leerling ‘te protestant’ vond, in zijn eigen woorden: ‘Ik vind zijn spel erg Nederlands. Wat hij speelt is op een bepaalde manier massief, monumentaal. Het hoeft niet altijd als een stevig Romeins beeld te zijn, zeg ik dan. Denk ook eens aan een barok, houten beeld.’

Zwevend tussen stevig constructivisme en barokke zwierigheid, ontvouwde zich het Praeludium uit Bachs Partita nr. 1 in Bes, BWV 825 waarmee Minnaar zijn recital opende. De unieke benadering van Minnaar, die nog steeds een beetje de neiging heeft alle noten in het aanzien van de schepper gelijke waarde te geven, kwam direct tot uiting in de monumentale benadering van de structuur van dit openingsdeel, dat in plechtige, enigszins hoekige ‘hink-stap-sprong’ bewegingen oprees als een glorieus bouwwerk, dat zijn vensters openzette ter begroeting van de lente. Ook in de volgende delen zorgde Minnaar ervoor dat alle noten optimale aandacht kregen in horizontale en verticale richting. De Allemande klonk al meer vloeiend en elegant, de Corrente uitbundig als op een klavecimbel en rijk aan versieringen, de Sarabande statig en bewogen, beide Menuetten speels en de Gigue helder en dartel. De goede oude Bach klonk in alle delen ontwapenend eigen, eerlijk, ambachtelijk en puur.

De virtuozere kant van Minnaar kwam tot bloei in zijn bijna luchthartige en speelse vertolking van Beethovens Variaties en Fuga in Es, op. 35 ‘Eroica’, waarin Minnaar als een soort pianospelende Papageno blijmoedig door de partituur heentrok om er met flair en een bewonderenswaardig talent voor variaties in speelwijzen en klankkleuren een feest van te maken. Na de pauze liet Minnaar zich van zijn diepere, meer romantische en spirituele kant zien in zijn gevoelige vertolking van Francks weinig gespeelde Prélude, Aria en Final, op. 23, waarbij hij er wonderbaarlijk goed in slaagde de vleugel bijna als een orgel te laten klinken, waaruit zonder haperingen eindeloze, organisch ademende melodieën stroomden, liefdevol omarmd door en ingebed in betoverende harmonieën.

Dat Minnaar zijn debuutprogramma rechtschapen (aandacht voor zoveel mogelijk genres en stijlen) en met grote zorgvuldigheid had uitgekozen, bleek uit het laatste gedeelte van zijn recital, waarin hij een lans brak voor drie delen uit de nog vaak als ingewikkeld, te ‘modern’ en publieksonvriendelijk ervaren ‘Vingt Regards sur l’Enfant-Jésus’ van Messiaen. Minnaar slaagde erin deze muziek te transformeren tot een feestelijke ode aan het leven en de kracht van de natuur. Bij hem geen technische verkrampingen, geestelijke verwarring of emotionele aanstelleritis om deze complexe muziek zo helder en zuiver mogelijk over het voetlicht te brengen. Minnaar ging helemaal op in het vogelgekwetter, de verzinnebeelding van de natuur, de tederheid van Maria, de omhelzing door Jezus en de extase van de Heilige Geest met het enthousiasme en de verwondering van een getalenteerd kind. En dat is, naast zijn meesterlijke pianistiek en de intellectuele zorgvuldigheid waarmee hij de geheime taal van een partituur probeert te onthullen en in degelijke klanken en structuren te vertalen, de grootste kracht van Hannes Minnaar: de gave van de verwondering.