De hoofse kracht van Denis Kozhukhin – door Wenneke Savenije,  8 november 2017,  

‘Het mooie aan klassieke muziek is dat er in die wereld nog altijd een relatie bestaat tussen kwaliteit, werk en succes’, verklaarde countertenor Andreas Scholl afgelopen zondag op tv bij Podium Witteman. Voor de uitzonderlijk getalenteerde Russische pianist Dennis Kozhukhin (1986), opgegroeid in een muzikale familie uit Nizhni Novgorod, is onophoudelijk streven naar de hoogst mogelijke kwaliteit een vanzelfsprekend doel, werken het middel om dat doel te kunnen bereiken en succes niet meer dan een prettige bijkomstigheid.
Nadat Kozhukhin, die al voor de derde keer zijn opwachting maakte in de Serie Meesterpianisten, in 2010 het Elisabeth Concours had gewonnen, werd hij in een klap een internationale ster zonder sterallures. Dankzij deze prijs kreeg hij de mogelijkheid overal ter wereld te doen waar hij het meest van houdt: al piano spelend recht doen aan de componist die hij vertolkt en daarbij op zoek gaan naar ‘de ideale balans tussen het emotionele en het intellectuele’. Dat die balans voor iedere musicus anders kan uitpakken binnen één en hetzelfde stuk, is voor Kozhukhin ‘de schoonheid van klassieke muziek.’ 

Muzikaliteit lijkt Kozhukhin van nature gegeven, maar daarbij is hij een scherpzinnig analist van de werken die hij speelt en ook een begenadigd instrumentalist. Al tijdens zijn studie aan de Balakirev School of Music en later de Escuela Superior de Música Reina Sofia bij o.a. Dmitri Bashkirov moet hij zo hard gewerkt hebben, dat hij het ‘ambacht’ pianospelen volledig beheerst. Op het podium lijkt Kozhukhin egoloos samen te vallen met de muziek en de piano, zonder zichzelf daarbij ook maar een seconde op de voorgrond te plaatsen.

Maar het is bepaald niet zo dat Kozhukin niets te zeggen heeft, want het is juist dankzij zijn empathie, intelligentie en verbeeldingskracht dat deze pianist voor ieder stuk de geheime sleutel lijkt te bezitten die toegang verschaft tot de specifieke innerlijke rijkdom van een partituur. Kozhukhin opent de poort en neemt zijn publiek mee op een fascinerende muzikale ontdekkingsreis, waarin de tijd vervliegt, klanken stollen als monumentale architecturen, stijlkenmerken zich organisch voegen naar het ritme en de dynamiek van de noten, emoties zich manifesteren in een regenboog aan verfijnde kleurschakeringen, elk detail van de articulatie heldere contouren krijgt, melodieuze fraseringen gaan stromen als rivieren, en lichte en donkere schaduwen over elkaar heen glijden als blaadjes in de wind.

Kozhukhin lijkt innerlijk zo zeker te zijn van zijn overwinning op de klinkende materie, dat hij quasi nonchalant elk obstakel overwint dat zou kunnen uitpakken in het nadeel van de componist die hij vertolkt. Hij jaagt niet uit nervositeit, epateert niet met loze virtuositeit en schreeuwt niet over-emotioneel of hysterisch van de daken wat in nuchtere no-nonsense taal wel zo overtuigend klinkt. Hij creëert voor elke componist een eigen universum, waarin integriteit en hoofse noblesse de toon regeren, zodat het er goed toeven is.

En zo wekte Kozhukhins markante vertolking van Händels Suite nr. 7 in g associaties met een weelderige paleistuin uit de 18de eeuw, waarin het lieflijke gezang van merels in zonovergoten rozenperkjes werd afgewisseld met het vorstelijke machtsvertoon van een statig slenterend gezelschap temidden van het groene struweel en turbulente erupties van uitbottende bloesemtakken in de frisse lentewind.

Een volkomen andere stemming riep Kozhukhin op tijdens zijn mijmerende en melancholieke interpretaties van 3 Intermezzi op. 117 van Brahms, waarin alles eerder om bezinning, herfstige taferelen en de droefenis van de ouderdom draaide.

Daarop volgde een hallucinerende interpretatie van Bartoks zelden gespeelde Out of Doors, Sz. 81, waarin burleske dansen in woeste en bijtende ritmes werden afgewisseld met fascinerend ijle vergezichten in de kosmos. Zo hypnotiserend resoneerde Kozhukhins unieke  kleurenpalet voor Bartok, dat het af en toe leek alsof hij daadwerkelijk andere dimensies ontsloot onder de vertrouwde koepel van het Concertgebouw.

Ook Debussy kreeg een geheel eigen materialisering van de klank. Zijn 12 Préludes uit boek 1 gleden voorbij als onderwatertaferelen, gezien door een symbolische boot van glas, voortgedreven door de wind en voortdobberend op de bewegingen van het water. Daardoor ontstond een dromerig spel van reflectie – het licht weerspiegelende wateroppervlak- en het verbreken daarvan door uit de diepte opdoemende schimmen, van scholen zilveren vissen tot aan angstaanjagende monsters, door elkaar krioelend onder het wateroppervlak.  Kozhukhin sloot zijn veelzijdige solorecital af met een geraffineerde vertolking van Gershwins Rhapsody in Blue, jazzy qua tempo en articulatie, sensueel van klank en vooral hartveroverend door het plezier waarmee Koshukhin zich uitleefde op Gershwins ‘blauwe’ noten. Er volgden nog twee prachtige toegiften van Rachmaninoff en Grieg.

naar alle recensies >