door Frederike Berntsen, TROUW , 11 februari 2020 ★★★★☆

Bij ieder akkoord dat Igor Levit (1987) stevig aanzette, veerde hij omhoog van de pianokruk. Moest een nootje fluisterzacht klinken, dan boog hij diep voorover en ging zijn neus richting de toetsen. De spelintensiteit van deze Russisch-Duitse musicus was volledig af te lezen aan zijn lichaamstaal. Wie de wind en de regenvlagen van Ciara had getrotseerd, kon zondag in Amsterdam getuige zijn van Levits debuut in de serie Meesterpianisten. De akoestiek van de Grote Zaal van het Concertgebouw lag de pianist nog vers in het geheugen; afgelopen november soleerde hij er met het Pittsburgh Symphony Orchestra.

Voor zijn solorecital had hij Beethoven meegenomen, de componist met wie hij al zijn halve leven bezig is. Hij heeft geen borstbeeld van Beethoven thuis, geen schilderij dat hem aanstaart, en toch houdt Beethoven dag en nacht Levit gezelschap. Vorig jaar kwam zijn opname uit met alle tweeëndertig sonates.

Beethovens muziek is humaan, Levit ziet er een afspiegeling van de mens in. Als dat zo is, lijkt de pianist vertrouwen te hebben in de wereld om hem heen. Zijn interpretatie van twee van Beethovens laatste sonates – 30 en 32 – bood een delicaat klankbeeld, aaibaar uitgevoerd, vanuit een magisch perspectief.

Zijn Beethoven kende geen scherpe randjes, geen nuchter opgebouwde spanningsboog. Onverwachte of zelfs ongemakkelijke schakeringen werden steevast gepolijst afgeleverd. In zijn zoektocht naar de sonateverhalen profileerde Levit zich als fijngevoelig verteller met een zijdezacht toucher.

Levit speelt met frasering en dynamiek om een zo eigen mogelijke weergave van de muziek te bereiken. Alles is geoorloofd en moet worden onderzocht, maar als de immense, trotse kracht en de organische lijnen die deze werken in zich dragen op afstand geraken, bekruipt je toch een vermoeden van ijdelheid.

Levits verhaal kreeg in de loop van het recital een steeds wijzere vorm, met dank aan zijn originele programmering. In een pianobewerking van het Adagio uit Mahlers Tiende symfonie dreef hij de luisteraar naar de punt van de stoel. Het expressieve gebaar dat de pianist hier maakte, zorgde voor een modernistische kleurenwaaier en dito klankbeleving.

Datzelfde gebeurde bij Liszts bewerking van Wagners ‘Feierlicher Marsch zum heiligen Gral’ uit ‘Parsifal’ – zo puur en zuiver moest die klinken, niet anders. Fans floten bij het slotapplaus en klapten net zolang totdat er een toegift kwam. Dat werd wederom Mahler, het Adagietto uit de Vijfde – en ook deze Mahler gaf Levit de kans om te toveren met kleur.