door Rahul Gandolahage, NRC Handelsblad, 11 februari 2020 

Zondag debuteerde Igor Levit in de serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw. Laat hem alsjeblieft snel terugkomen. Meesterpianist Igor Levit heeft de zaal in een fractie van een seconde mee. Niet met een stevige inzet, eerder met het tegenovergestelde. Het lijkt wel of hij zijn vingers eerst zachtjes in de eerste maat van Beethovens 30e pianosonate wriemelt, zijn handen tot een kommetje vouwt en laat vollopen met de noten uit de tweede maat en die met de derde maat in één soepele beweging boven zijn hoofd uitstrooit. Het kwam zo onverwacht dat je even beduusd in de tijd bleef hangen, voor je in de gaten had dat Levit de inleiding alweer ver achter zich gelaten had.

Vorige week nog, zei meesterpianist Levit in NRC dat Beethoven met zijn eigen leven gevuld moet worden. Leg dat naast zijn (online) strijdvaardigheid tegen onder andere racisme, en je verwacht pittig, misschien zelfs wel boos of driftig pianospel. Niets van dat alles. Levit speelt open. Ja, hij stopt zijn ziel erin, maar hij houdt genoeg ruimte over voor ieder die zijn of haar leven erbij wil leggen. Alleen onder zijn linkerhand, daar houdt hij een persoonlijke grom verscholen.

Heel af en toe laat hij die even ontsnappen, om hem dan weer met zachte hand te bedekken. In sonate 32, Beethovens laatste, klinken de frasen iéts minder fijnzinnig. Maar daar, in het thema, buldert zijn grom ineens open en bloot. Hij speelt de noten niet, hij temt ze. Ze dikken in en dijen uit, het is of Levit ze hun eigen vorm laat kiezen. Hij houdt ze alleen maar bij elkaar.

Dan, het contrast kan haast niet groter, begint hij het tweede deel met zo’n kwetsbare smeekbede, dat je bijna zelf op je knieën zakt. Had hij op de vleugel kunnen fluisteren, dan had hij dat gedaan. En toen moest het pianoarrangement van het Adagio uit de Tiende Symfonie van Mahler nog komen.