door Christo Lelie, 25-03-2019 

Tot de laatste minuut was het zondagavond 24 maart spannend in het Amsterdamse Concertgebouw: zou Martha Argerich na bijna dertig jaar nu echt weer eens komen spelen in de serie Meesterpianisten of toch afzeggen? De inmiddels 77-jarige pianiste is al decennia lang één van de meest legendarische podiumartiesten in de klassieke muziekwereld. Dat komt enerzijds door haar onnavolgbaar virtuoze, persoonlijke en temperamentvolle spel, anderzijds door de zeldzaamheid van haar optredens en het veelvuldig afzeggen daarvan. Concertorganisator Marco Riaskoff weet daar alles van: de eerste en enige keer dat Argerich in zijn serie Meesterpianisten te beluisteren was begin jaren ’90 van de vorige eeuw. Bij het tweede geplande optreden in mei 2007 ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van deze serie ging het op het allerlaatst moment mis: Martha Argerich kwam toen vanwege familieomstandigheden niet opdagen.

Dit keer leek alles goed te gaan bij het recital waarin Argerich met haar vroegere echtgenoot Stephen Kovacevich zou optreden in duo-pianorepertoire van Debussy en Rachmanonov. Toch was voor het publiek in de uitverkochte Grote Zaal nog even een heel spannend moment toen, nadat het zaallicht al gedimd was, niet beide pianisten maar de producer van de serie Meesterpianisten Friso Verschoor met microfoon op het podium van de Grote Zaal verscheen. “Nee, maakt u zich geen zorgen, beide pianisten zijn in huis, maar ik kan u aankondigen dat er vanavond nog een derde pianist voor u zal spelen”, stelde Verschoor de luisteraars direct gerust. Hij vertelde dat Stephen Kovacevich tijdens de voorbereidingen van het concert een hand dermate geblesseerd had dat hij niet in staat was zijn zeer virtuoze partij in Rachmaninovs ‘Symfonische Dansen’, opus 45 te spelen. Gelukkig had Argerich voor een invalster kunnen zorgen: de veel jongere pianiste Lilya Zilberstein, met wie zij dit werk al herhaaldelijk had gespeeld.

Kovacevich zou die avond wél te horen zijn in de geprogrammeerde werken van Claude Debussy.

De ‘Symfonische Dansen’ uit 1940 , Rachmaninovs zwanenzang, zijn vooral bekend door de orkestversie. De variant voor twee piano’s is daar geen bewerking van maar de oerversie. In de wervelende en vaak diep melancholische vertolking door Argerich en Zilberstein was goed hoorbaar dat Rachmaninov bij het schrijven ervan al een grootsymfonieorkest in gedachte gehad moet hebben. De partituur is heel complex en dermate dicht geschreven dat de klank van de twee concertvleugels gemakkelijk dreigt dicht te slibben bij gebrek aan sterk van elkaar verschillende timbres van de diverse orkestinstrumenten. Knap was hoe beide pianistes desondanks een overwegend lucide klankbeeld wisten te realiseren. Opvallend was dat Zilberstein de partij met het meeste solowerk speelde en dat met een stevige, ‘Russische’ pianistiek deed. Martha Argerich had wat minder noten te spelen en stelde zich meer dienend op, bijna alsof het kamermuziek betrof. Het was ook Argerich die steeds op subtiele wijze het dansante karakter (bijvoorbeeld in het walsritme van het tweede deel), neerlegde en, in alle bescheidenheid, de leiding aan de uitvoering gaf.

Het publiek reageerde zo enthousiast dat het pianoduo besloot een toegift te geven, het lyrische tweede stuk uit ‘6 Studien in kanonischer Form’, opus 56 van Robert Schumann. Dit werk werd oorspronkelijk geschreven voor een piano die, net als een orgel, voorzien is van een pedaalklavier. Claude Debussy maakte er de – deze avond gespeelde transcriptie voor twee piano’s van.

Deze toegift vormde een prachtige schakel tussen de eerste en de tweede programmahelft, die geheel gewijd was aan Debussy en waarin nu Stephen Kovacevich op de tweede vleugel te beluisteren was.

Debussy ’s repertoire voor twee piano’s is niet bijzonder toegankelijk. Dat geldt zeker voor zijn drieluik ‘En blanc et noire’ uit 1915, geschreven met de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog in gedachte. Debussy hanteerde hierin een stijl die veel abstracter is dan die van zijn vroegere laatromantische en impressionistische stukken. Veel meer dan in het samenspel met Lilya Zilberstein, realiseerden Argerich met Kovacevich een volmaakte eenheid in het klankbeeld, waarin de individuele karakters van beide spelers van ondergeschikt belang waren.

Toegankelijker was het pas na Debussy ‘s dood in zijn nalatenschap ontdekte ‘Linderaja’, een bevallige habanera, geïnspireerd op één van de gelijknamige Moorse binnentuinen van het Alhambra te Granada. Verrukkelijk was de dromerige, oriëntaalse atmosfeer die Argerich en Kovacevich hierin opriepen.

Tot slotte klonk de ‘Prélude à l’après-midi d’un faune’, die net als Rachmaninovs ‘Symfonische Dansen’, vooral bekend is als orkestwerk. In dit geval is de bewerking van dit symfonisch klankdicht voor twee piano’s door Debussy pas ná de orkestversie geschreven. Ook voor deze compositie geldt dat de kwaliteit ervan grotendeels bepaald wordt door Debussy’s schitterende orkestratie. Des te knapper was het hoe fraai Kovacevich en Argerich binnen het gelimiteerde kleurenpalet van twee vleugels een immense rijkdom aan timbres realiseerden. Aldus werd de luisteraar meegezogen in de subtropische temperatuur op een lome namiddag in het mythologische Griekenland.

Met haar Debussy-spel leek de gerijpte Martha Argerich volledig te willen afrekenen met het imago van ontembare klaviertijgerin dat zij jarenlang met zich heeft meegedragen. Het waren verstilling en verdieping die voor fascinerende luisterervaringen leidden. Toegiften waren ‘En bateau’ uit Debussy’s ‘Petite Suite’ voor piano quatre mains en een herhaling van het beeldschone ‘Linderaja’.