door Christo Lelie , 19-06-2019,  

Op 8 juni werd Emanuel Ax zeventig jaar. Daarom stond het recital dat de in ons land zeer geliefde Amerikaanse meesterpianist  een week later in het Amsterdamse Concertgebouw gaf in het teken van het bereiken van dit kroonjaar.

Dat de jaren voor Ax niet lijken te tellen was hoorbaar in de energieke manier waarop hij het behoorlijk zware en lange programma technisch puntgaaf én geïnspireerd tot klinken bracht. Ook trouwens in de soepele wijze waarop hij de hoge trap van de Grote Zaal op en af rende. Het sympathieke van Emanuel Ax is vanouds dat hij altijd puur, zonder enige opsmuk musiceert, met veel noblesse. Welke muziekstijl hij ook speelt, er zijn altijd twee elementen die zich opdringen: Ax’ intens warme, muzikale persoonlijkheid en zijn altijd zangerige en gecultiveerde toonvorming.

Dit gulden toucher is bij Ax geen mooidoenerij. Hij zet het in om een keur aan klankvariaties te realiseren die hij volledig ten dienste stelt aan het muzikale betoog. Dat was goed te horen in de twee Rapsodieën, opus 79 van Johannes Brahms, waarmee hij zijn recital zeer overtuigend begon. Vooral in de eerste Rapsodie in b-klein viel zijn rijk genuanceerde, orkestrale aanpak op. Ook de tweede Rapsodie in g-klein klonk dynamisch uiterst gedifferentieerd en groots.

Dat in de serie Meesterpianisten recent gecomponeerde stukken klinken is een zeldzaamheid. De meeste pianisten kiezen immers voor het veilige ijzeren repertoire dat minsten een eeuw oud is. Zo niet Emanuel Ax: na Brahms volgde een werk dat pas vijftien jaar geleden werd geschreven: Piano Figures’ van de in 1960 geboren George Benjamin. Deze cyclus bestaat uit tien korte delen in atonaal idioom, soms rank en vederlicht, dan weer hamerend maar nooit shockerend modernistisch. Ax haalde uit deze eigentijdse miniaturen stellig wat eruit te halen valt. Of deze muziek sterk genoeg is om tot de canon van het pianorepertoire te gaan behoren bleef voor mij echter sterk de vraag, niettegenstaande Ax’ muzikale pleidooi ervoor.

Vervolgens kwamen de niet aan hedendaagse muziek gewende luisteraars weer aan hun trekken in de ‘Fantasiestücke’, opus 12 van Robert Schumann. Deze acht sterk verschillende maar onderling toch samenhangende karakterstukken speelde Ax als een ware verteller aan het klavier. Toch was zijn verhaal niet helemaal compleet. De bipolaire Schumann plaatst in de ‘Fantasiestücke’- net als in veel van zijn andere pianomuziek – de twee tegenstrijdige kanten van zijn persoonlijkheid tegenover elkaar: de introverte Eusebius  en de temperamentvolle Florestan. Ax bewoog zich overwegend aan de Eusebius-kant; de uitbundigheid van Florestan bleef in felle delen als ‘Aufschwung’ en ‘Traumes-Wirren’ enigszins onderbelicht.

De ‘Valses nobles et sentimentales’ van Maurice Ravel leken Ax op het lijf geschreven. Met veel raffinement speelde hij dit verrukkelijke impressionistische conglomeraat van walsjes.

Het laatste programmablok was geheel aan Chopin gewijd. Fraai klonk de Nocturne in B-groot, opus 62 nr. 1. Minder boeide Ax’ echter met zijn vertolking van drie Mazurka’s. Deze Poolse volksdansen worden gekenmerkt door levendige ritmiek vol tegendraadse accenten. Die werden door Ax zozeer afgevlakt, dat het oorspronkelijke danskarakter van de mazurka’s niet erg uit de verf kwam.  Wel weer indrukwekkend was ten slotte Ax’ sublieme uitvoering van Chopins ‘Andante spianato & Grande Polonaise brillante’, opus 22. Heerlijk zong de cantilene tegen de subtiel kabbelende begeleiding in het ‘Andante spianato’. De polonaise klonk opmerkelijk veerkrachtig en relatief licht. Magnifiek! Voor deze topprestatie kreeg Emanuel Ax een langdurig en luid applaus dat overging in een spontaan door de aanwezigen ingezet ‘Happy birthday’.
Toegiften waren Chopins Nocturne in Fis gr.t., op. 15 nr. 2 en Schumanns ‘Arabeske’