door Elger Niels, de Nieuwe Muze 16 december 2019,

Hoe vervang je een onvervangbare pianist? Bij de serie Meesterpianisten hebben Marco Riaskoff en Friso Verschoor in dergelijke omstandigheden weleens vaker aanzienlijk succes geoogst door een evenzo onvergelijkbare collega in te zetten. Zo ook gisteren toen de 75 jarige, zachtmoedige Braziliaanse virtuoos Nelson Freire vervangen werd door de 31-jarige blinde Japanner  Nobuyuki Tsujii. – als gedeeld eerste prijswinnaar van het Van Cliburnconcours is hij een fenomeen op zich, want zo’n prestatie bereik je echt niet omdat de juryleden het knap vinden dat je foutloos over de toetsen raast zonder ze te kunnen zien. Menig pianist zal immers kunnen getuigen dat hoe moeilijker het stuk is, hoe beter je het in de regel met gesloten ogen kunt vertolken. Het richten en focussen van de blik is een traag proces in verhouding tot de aaneenschakeling van razendsnelle acties die je bijvoorbeeld in Rachmaninoffs Derde pianoconcert of Chopins Tweede pianosonate te wachten staan. Bij complexe werken participeren alle sensoren, evenals het geheugen en reactievermogen.

Sommige dingen kosten een blinde wel meer tijd – bijvoorbeeld het studeren van een partituur of, zoals gisteren nadrukkelijk zichtbaar was: het plaatsnemen achter de vleugel in exact de juiste uitgangspositie. Hier liet Tsujii niets aan het toeval over. En terecht: als je kunt zien, dan kun je een stukje naar links of rechts ‘compenseren’. Een wetenschappelijke proefneming bij pianisten heeft zelfs bewezen dat de centraal geplaatste merknaam van de vleugel bij deze oriëntatie een niet onbelangrijke rol speelt.

Die luxe heeft een blinde niet. Eenmaal gezeten, mat Tsujii daarom zijn positie nauwkeurig af door de armen te strekken en met het bovenlichaam heen en weer te wiebelen naar de juiste plek op zijn, hoog afgestelde pianokruk. En ook daar zou een gedachte achter kunnen zitten. Vanuit die iets hogere positie kan hij met zijn kleine gestalte, zijn armgewicht optimaal aanwenden, zonder daarbij ver van de toets te hoeven op te veren. Tenslotte schuilt in dat soort bewegingen een niet onaanzienlijk risico – zelfs voor ziende pianisten. Het viel in elk geval op hoe dicht Tsujii’s handen gedurende het hele concert op het klavier bleven – alsof hij er zijn positie voortdurend mee bepaalde. Pas aan het slot van bepaalde stukken rukte hij ze met een energieke beweging los.

Dit voor wat betreft het visuele. Het meeste leer je namelijk over deze pianist door zelf de ogen te sluiten. Tsujii produceert een stevig geluid, waarbij de gemiddelde dynamiek een of zelfs twee gradaties boven de meeste van zijn collega’s ligt. Net als veel andere Japanse musici van naam en faam – van Seiji Ozawa tot Mitsuko Uchida – manifesteert zich bij hem ook een verlangen naar een gesublimeerde balans en een streven naar helderheid van opbouw en klank.

Er bleef bij Tsujii’s vertolking van Chopins Ballades en Scherzo’s die samen het programma vormden, niets in het verborgene. Iedere noot kreeg een soortelijk gewicht binnen melodie en harmonie. Zelfs in het kleinste pianissimo dat, opmerkelijk genoeg, juist te beluisteren viel in het forse Scherzo opus 31 en niet in de Nocturne in cis, die Tsujii als eerste toegift vertolkte.

Waar zijn illustere landgenoten eerder esthetisch en daarmee ook wat afstandelijk blijven, kon gisteravond niemand ontgaan dat Nobuyuki Tsujii zo verliefd is op elke afzonderlijke noot, dat schoonheidsbejag hem niet belette, zonder opgelegd sentiment ook een persoonlijke betrokkenheid te investeren. Die betrokkenheid bleek uit de hartstochtelijke wijze waarop hij zanglijnen naar voren haalde, en de functies van iedere noot in een harmonie onderscheidde. Maar het sterkst kwam ze op mij over in Tsujii’s lezing van de Ballade opus 47 en het Scherzo opus 39 – de twee composities die juist als de abstractere van de acht geprogrammeerde werken gelden. In het Scherzo legde de pianist consequent nadruk op de tussenwerpingen in langzame, brede akkoorden. Zodat des te sterker waar te nemen viel hoe deze zich, na voortdurende onderbrekinng door snel ratelende noten, ineens samenpakken boven het orgelpunt dat inleidt tot de recapitulatie – om daar als een heuse ‘Cathédrale engloutie’ te verrijzen – een ervaring die je als luisteraar beslist bij blijft.

‘Hoe zou deze pianist gespeeld hebben als hij had kunnen zien?’, beluisterde ik in de wandelgangen. Technisch gezien had hij op enkele extreme momenten, zijn dynamiek misschien nog verder kunnen oprekken door de handen van grotere hoogte op het klavier te laten vallen. Maar de vraag is of dergelijke exclamaties wel aansluiten bij een interpretatie die voortdurend klankschoonheid najaagt.

Misschien zou het Tsujii wel hebben geholpen als hij de omvang van de zaal had kunnen zien. Enkele snelle passages waren achterin, ondanks een perfecte articulatie, door de akoestiek niet volledig verstaanbaar en dat lijkt mij zeker niet de bedoeling van deze pianist. Maar dan hebben we het over een kleinigheid. Mij komt het voor dat deze pianist juist vanwege de extra reserves van zijn talent en een nauwgezette voorbereiding trefzekerder is dan ziende pianisten en bovendien zowel nauwlettender als onbevangener luistert naar wat muziek te vertellen heeft.

Met Liszts, op Paganini gebaseerde Campanella-etude als laatste toegift demonstreerde Tsujii tot slot van zijn recital, dat deze heel pure benadering ook virtuoos vertoon niet in de weg staat.

Al met al werd dit een hele andere avond dan we met Freire zouden hebben genoten. Maar Tsujii nam de zaal voor zich in met zijn roerende liefde voor de muziek en mocht daarom rekenen op stormachtig applaus.