door Christo Lelie, 6 november 2019

Onder de vele jonge pianovirtuozen die de laatste jaren op de grote concertpodia te horen zijn, is de Rus Daniil Trifonov een van de meest opvallende verschijningen. “Wat hij met zijn handen doet is onwaarschijnlijk,” zei de grote Martha Argerich over hem. Zondag 3 november bracht Trifonov zijn publiek in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw in verbazing over zijn onnavolgbare virtuositeit, gecombineerd met fantasie, durf en een breed scala aan dynamische en coloristische schakeringen. De verbazing betrof stellig ook de eigenzinnige manier van presenteren van zijn programma: vrijwel alle stukken plakte hij aan elkaar, doorgaans zonder adempauzes. Dat deed hij zelfs tussen muziek van verschillende componisten en werken die mijlenver van elkaar staan: de beukende, opeengepakte dissonanten waarmee de duistere, metafysische Negende Sonate, opus 68, bijgenaamd ‘Zwarte Mis’ van Alexander Skrjabin afsluit, liet Trifonov naadloos oplossen in het gracieuze, lichte As-grootakkoord waarmee Beethoven zijn 31ste Sonate, opus 110 opent. Dat leverde een bijzondere luisterervaring op van plotselinge lucht, licht en opklaring na de welhaast verstikkende dramatiek van Skrjabins Negende Sonate. Of dit de meest geëigende manier is om muziek op het podium te brengen, is een vraag die zich eens te meer aan het begin van het recital in de lange reeks van korte werken van Skrjabin opdrong. Trifonov speelde daarin, steeds met de figuurlijke lijmkwast bij de hand, achtereenvolgens de bekende Etude in cis, opus 2 nr. 1, ‘Deux Poèmes’, opus 32, de 8 Etudes, opus 42, ‘Poème tragique’, opus 34 en de Etude in dis, opus 8 nr. 12 zonder onderbrekingen achter elkaar.

Skrjabins ‘Poèmes’ zijn complex en bevatten veel harmonische en expressieve ‘informatie’. Om die te verwerken heeft de luisteraar soms wat tijd nodig tussen de stukken, maar die gunde Trifonov zijn toehoorders niet. Van de Etudes opus 42 lijkt het aannemelijk dat de componist ze niet bedoeld heeft om als een cyclus te vertolken. Daarvoor bracht hij te weinig variatie aan in de tempi (bijna allemaal zijn ze zeer snel) en karakters van de stukken onderling. Dat viel eens te meer op nu Trifonov ze aaneenreeg.

Er viel zeker genoeg te genieten van Trifonovs Skrjabin-vertolkingen, bijvoorbeeld van de trillertjes in de derde etude (prestissimo), die klonk als een kolibrie die de nectar uit een bloem zuigt. Ook het bijna schetsmatige begin van het ‘Poème’ in Fis, opus 32 nr. 1 was schitterend, maar in het daaropvolgende tweede ‘Poème’ begreep ik weinig van Trifonovs enorme dynamische uitspattingen, terwijl Skrjabins karaktervoorschrift ‘met elegantie’ luidt.

Het technisch nagenoeg volmaakte spel en het raffinement in Trifonovs toucher in de etudes konden niets dan bewondering oproepen, maar tegelijk was er in de snelle etudes behoefte aan meer helderheid en profiel in de baslijnen dan wel in de melodieën. Bovendien: dat de pianist in een half uur dertien stukken zonder onderbreking speelde, riep – bij mij althans – het gevoel op van ‘overdaad schaadt’. Het enige voordeel van deze aanpak was, dat het publiek geen kans kreeg om tussen de stukken door te hoesten of ander lawaai te produceren, waardoor de pianist in één concentratieboog kon blijven doormusiceren.

Voor Skrjabins Sonate nr. 9 was de diabolisch spelende Trifonov een ideale vertolker. Geheimzinnig en dreigend opende hij het stuk met de spannende, dalende toonreeksen, om geleidelijk aan naar machtige climaxen toe te werken. Een hoogtepunt van zijn recital was vervolgens Beethovens Sonate in As, opus 110 waarin hij na het tumult van de ‘Zwarte Mis’ alle rust nam om deze hemelse muziek tot in de kleinste details uit te werken. In het bijzonder de klaterende watervalletjes en syncopes in de middensectie van deel 2, Allegro molto, hoorde ik zelden zo sprankelend. Het afsluitende Adagio non troppo, afgewisseld met twee fuga’s, vertolkte Trifonov beschouwend. Een goede keus was het dat hij het basistempo van de fuga’s exact hetzelfde nam als dat in de twee aangrijpende ‘arioso’s. Hierdoor ontstond de noodzakelijke structurele eenheid in dit anders gemakkelijk als brokkelig overkomende slotdeel.

Als extra ingelast programmaonderdeel speelde Trifonov direct na de pauze drie korte karakterstukken uit de ‘Petite Suite’ van Alexander Borodin. Fraai realiseerde hij de klokkenklanken in ‘Au couvent’ (In het klooster). ‘Intermezzo’ en ‘Serenade’ uit deze suite speelde hij intiem en verzorgd. Andermaalzette Daniil Trifonov, zonder een luchtpauze te nemen, het volgende stuk in, Prokofjevs Sonate nr. 8 in Bes, opus 84. Zeker bij dit grootschalige werk, waarvan het eerste deel het langste en door de ingewikkelde akkoorden niet zo toegankelijk is, ware een verse start meer dan wenselijk geweest.

In Prokofjevs imposante Achtste Sonate wist Trifonov door zijn rijke toucher en vertellende manier van musiceren meer te boeien dan in zijn Skrjabin-vertolkingen. Na de mahleriaanse volksmelodieën van het tweede deel, ging Trifonov voor de laatste keer deze avond volledig los in het imponerende Vivace waarmee Prokofjev zijn Sonate afsluit.

Groot was het enthousiasme van het publiek voor Trifonovs buitengewone prestaties. Nieuw in de serie Meesterpianisten was gejoel waarmee de toehoorders twee toegiften van Trifonov wisten af te dwingen. In beide gevallen waren dat transcripties van de hand van de concertgever zelf van Rachmaninovs ‘Vocalise’ en diens ‘The Sleigh Bells’(uit ‘The Bells’, opus 35).