door Wenneke Savenije, 8 oktober 2019

Nadat de Russisch-Israëlische pianist Boris Giltburg (1984) een jaar geleden de 24 Preludes van Rachmaninoff had opgenomen voor Naxos, droeg hij ze op aan zijn grootmoeder, de pianiste Genrietta Milman. Zij was het die de kleine Boris voor het eerst in aanraking bracht met Rachmaninoff, door de Preludes op. 23 nr. 6 en op. 32 nr. 5 voor hem te spelen. Dat maakte een onuitwisbare indruk op de latere pianist, die internationaal doorbrak toen hij in 2013 de Koningin Elisabethwedstrijd won. Giltburg, die sinds een tijdje in Haarlem woont, debuteerde afgelopen zondag met Rachmaninoff en Liszt in de Serie Meesterpianisten.

Om zichzelf gelijk goed op de kaart te zetten had Giltburg, die al heel jong pianoles kreeg van zijn moeder en later studeerde bij Arie Vardi in Tel Aviv, gekozen voor een bijna ‘onmogelijk’ programma: voor de pauze de razend lastige 12 Études d’exécution transcendente van Liszt, na de pauze de 13 Preludes op. 32 van Rachmaninoff. Voor Giltburg in zoverre ‘gefundenes Fressen’, dat hij voorafgaand aan zijn album met alle 24 Preludes van Rachmaninoff, in 2017 ook Liszts 12 Études d’exécution transcendente heeft opgenomen, eveneens voor Naxos.

De weerbarstige materie van zijn recital zat dus gebeiteld in zijn brein en zijn vingers. Om er zeker van te zijn dat hij er niet uit zou vliegen tijdens het onwaarschijnlijk grote aantal noten dat hij zou gaan spelen, had Giltburg bovendien onopvallend een laptop met de partituren in de vleugel gelegd. Dat mag bij zo’n programma, net als afwijken van de norm met zijn keuze voor de vleugel: voor Giltburg geen Steinway uit het Concertgebouw, maar een zangerige Fazioli concertvleugel van Evert Snel in Werkhoven, waarop hij op slag verliefd was geworden.

Die keus brak hem in zoverre op, dat deze vleugel met name in de middenregisters net niet die genuanceerde helderheid en gedifferentieerde felheid van klank had om met name de 12 Études d’exécution transcendente van Liszt optimaal expressief te laten klinken. Voelde Liszt zich bij het componeren van zijn pianotechnisch in alle opzichten grensverleggende etudes met alle recht en reden een avontuurlijke ontdekkingsreiziger in de muziek, Giltburg werd meer een ronddolende ‘Wanderer’ in de fantasierijke ‘notenlandschappen’ van Liszt, die hij met fenomenale pianistische trefzekerheid en virtuositeit wist te verklanken. Met een verfijnd en smaakvol toucher, een schitterende timing en spanningsopbouw, een beschaafde articulatie en een uitgebalanceerde verbeeldingskracht, zette Giltburg een bijkans ideale Liszt neer, die met name op alle pianisten in de Grote Zaal diepe indruk zal hebben gemaakt.

Alle golvende octavencascades, weidse dubbelgrepen, akkoordtrillers en huiveringwekkende sprongen over het toetsenbord werden schijnbaar ‘moeiteloos’ door de briljante Giltburg ‘gehaald’, zonder uit de bocht te vliegen of qua volume over de schreef te gaan. Of het nu de ‘Wilde Jagd’ van de 8e etude, de woeste Mazeppa-ritmes van de 4de etude, de melancholiek beierende klokken in de 11e etude ‘Harmonies du Soir’ of de verstilde, alles dempende en wit makende versneeuwing van de aarde in de 12e etude betrof, Giltburg gaf er op passende wijze uitdrukking aan. Maar hoe bijna pijnlijk minutieus hij elk detail ook probeerde uit te lijnen en transcendentaal te belichten om de etudes van Liszt tot leven te wekken, het lukte hem niet om de verpletterende hoeveelheid noten echt zijn eigen signatuur mee te geven.

Met name in de middenregisters hielp de prachtig zingende Fazioli ook niet erg mee, want de klank ontaarde, hoe mooi van kleur en karakter ook, in een omfloerst ‘klankmoeras’ met te weinig specifieke kleurnuances en te weinig contrastwerking. Had Giltburg exact hetzelfde gedaan op een Steinway of de rechtsnarige vleugel van Chris Maene, dan was zijn Liszt-spel waarschijnlijk toch nog beter uit de verf gekomen. Nu imponeerde Giltburg zonder werkelijk te raken, omdat hij zichzelf leek te verschuilen achter – zo niet zichzelf verloor in – een soort vorm-, klank en kleurfetisjisme op het allerhoogste niveau. Liszts 12 Études d’exécution transcendente klonken pianistisch en ook muzikaal gezien absoluut indrukwekkend, maar toch net niet magisch, meeslepend of betoverend genoeg. Alsof de innerlijke identificatie met de onstuimige ‘essentie’ van de jongere Liszt niet helemaal tot stand gekomen was.

De daarop volgende 13 Preludes op. 32 van Rachmaninoff zijn wat mij betreft niet allemaal even sterk gecomponeerd en ontstijgen af en toe nauwelijks het niveau van ‘edelkitsch’, schitterende Preludes als op. 32 nr. 9 in B, nr. 10 in b, nr. 12 in gis (de lievelings-prelude van Rachmaninoff zelf) en nr. 6 in f daargelaten. In deze muziek kwam de warm-zingende klank van de Fazioli, die met name schitterend klonk in de hogere regionen, veel beter tot zijn recht. Giltburg liet de Preludes uit de vleugel opborrelen alsof het natuurverschijnselen betrof, zachtjes golvend en wiegend, onheilspellend beierend, volgend en achtervolgend, opwaaiend als opdwarrelende herfstbladeren en stormend als doodswinden over de graven. Rachmaninoff klonk schitterend en toch miste ik ook in deze werken die intense, spontane en pure persoonlijke betrokkenheid bij de emotionele inhoud van de noten, die uiteindelijk doorslaggevend is voor het vermogen van een musicus om zijn publiek werkelijk te raken.

Vlak voor het recital van Giltburg had Ronald Brautigam in Podium Witteman Beethoven gespeeld op tv. Op Wittemans vraag waarom hij zo vergroeid is geraakt met de Weense Klassieken, antwoordde Brautigam zoiets als: ‘Eerst was ik dol op stukken met heel erg veel noten, Rachmaninoff, Godovsky, Prokofiev noem maar op. Maar gaandeweg kwam ik tot de conclusie voor mezelf dat je je achter al die virtuoze noten ook goed kan blijven verschuilen, terwijl Haydn, Mozart en Beethoven je dwingen om heel precies te zeggen wat je te zeggen hebt.’ Aan die uitspraak moest ik het hele verpletterend virtuoze recital van Giltburg denken, en vooral toen hij als eerste toegift een weliswaar vlekkeloos en integer gespeelde maar emotioneel matte vertolking ten beste gaf van de Arabesk van Schumann, gevolgd door een suggestievere Suggestion diabolique van Prokofiev. Duidelijk werd dat Giltburg pianistisch tot alles in staat is, maar dat komt pas werkelijk over als hij ook zijn hart meer laat spreken.

Info: https://borisgiltburg.com