door Christo Lelie, 9 april 2019 

In de Amsterdamse serie Meesterpianisten hebben afgelopen drie decennia ruim honderd pianocoryfeeën opgetreden. Opvallend is dat zich daar slechts drie Nederlanders onder bevonden: Ronald Brautigam en de pianobroers Arthur en Lucas Jussen. Doordat de Jussens als duo concerteerden, was Ronald Brautigam voor lange tijd de enige Nederlandse pianist die in deze serie te beluisteren was in een soloprogramma.

Het is de vraag of deze magere opbrengst aan internationale Nederlands pianotalenten iets zegt over het niveau van onze concertpianisten. Feit is wel dat dit niveau de afgelopen jaren fors stijgende is. Het lijkt daarom geen toeval dat in het concertseizoen 2018-2019, ruim twintig jaar na Brautigams laatste recital, in deze serie voor het eerst weer een Nederlandse meesterpianist te beluisteren was.

Die eer viel zondag 7 april te beurt aan Hannes Minnaar. Deze in 1984 geboren pianist heeft zich na het winnen van prijzen in het Concours de Genève en de Koningin Elizabeth Wedstrijd in Brussel dermate doorontwikkeld dat Marco Riaskoff het aandurfde om hem in zijn serie Meesterpianisten te laten debuteren. De spanning was te snijden toen Minnaar die zondagavond de trap van de Grote Zaal van het Concertgebouw afkwam om te laten horen of hij zich als pianomeester kon meten met zijn vele illustere voorgangers zoals Maurizio Pollini, Krystian Zimerman, Martha Argerich en de tientalen andere pianisten die hun sporen op dit beroemde podium verdiend hebben.

Hannes Minnaar had het zichzelf en zijn publiek niet gemakkelijk gemaakt: op zijn programma stonden geen evergreens of virtuoze spektakelstukken. Hij verkoos het zich te presenteren in inhoudelijk interessant repertoire waarin het puur om muzikale schoonheid gaat. Hij begon zijn recital met muziek van J.S. Bach. Hoe kan het ook anders bij een pianist die tevens orgel gestudeerd heeft en al een schitterende Bach-cd op zijn naam heeft staan! Bachs Eerste Partita in Bes klonk onder zijn handen vanaf de eerste noot als een intelligent opgezet muzikaal betoog. In het Praeludium was Minnaars vertellende speelwijze opvallend vrij in de maat, bijna romantisch, maar gelardeerd met zuivere barokversieringen. Opmerkelijk was de nadruk die hij vaak op het betonen van zijn linkerhand legde. Dit leverde een prachtig transparant klankbeeld op, intiem en edel van toon. Keerzijde van de medaille was dat Minnaars klankprojectie wat minder ver de Grote Zaal in droeg: zijn spel klonk als kamermuziek, een genre waarin hij overigens een meester is. Deze bescheidenheid vormde tevens de charme van Minnaar, die het tegendeel van de ijdele klavierleeuw is.

In Bachs Partita boeiden naast het gave spel (enkele kleine misslagen in de hachelijke sprongetjes in de Gigue daargelaten), de fraaie fraseringen, de diepgang in de rijk versierde Sarabande en de naar barok gebruik door Minnaar fantasievol toegevoegde snelle nootjes in de herhalingen van Menuet I.
Beethoven geldt vooral als de meester van de sonate en symfonie, maar ook is hij de koning van de variatiekunst. Het beroemdst zijn in dit genre zijn ‘Diabelli-variaties’, maar qua zeggingskracht worden deze wellicht nog overtroffen door de veel bondiger ‘Variaties en Fuga in Es’, opus 35. Hierin haalt Beethoven wondertjes uit met de vier noten uit het hoofdthema van het laatste deel van zijn ‘Eroica-symfonie’. Met zichtbaar en vooral hoorbaar plezier realiseerde Minnaar de technische vaak knap lastige variaties. Zijn toonvormig was overwegend verfijnd. Des te meer vielen de in het begin regelmatig terugkerende drie herhaalde basnoten op die Minnaar met mokerslagen uit het instrument sloeg. Daarmee wekte hij als het ware de woeste improvisator en muzikale grappenmaker die Beethoven geweest moet zijn, tot leven.
Na de pauze kwam Minnaar met een compositie die kennelijk tot zijn favoriete romantische werken behoort, maar die op het concertpodium zelden wordt uitgevoerd: ‘Prélude, Aria et Final’, opus 23 van César Franck. Van deze compositie is voorstelbaar dat de vertolker er al studerend steeds dieper in doordringt en er verliefd op wordt, wat kennelijk bij Minnaar het geval was. Ondanks zijn gave, kleurrijke en duidelijk geprofileerde uitvoering ervan, kwam deze minder toegankelijke compositie, bij zo’n eenmalige beluistering, niet direct over als muziek die ten onrechte door pianisten wordt verguisd. Het applaus was dan ook wat lauw.  Minnaar had er misschien beter gedaan in plaats ervan een toegankelijker en bekender werk te programmeren.

Wellicht dat sommige concertbezoekers aanvankelijk wat teleurgesteld waren dat Minnaar als slotstuk voor twintigste-eeuwse muziek had gekozen. Toch lijkt het zeker dat het merendeel van het publiek zijn vertolking van delen uit Olivier Messiaens twintigdelige pianocyclus ‘Vingt regards sur l’Enfant-Jésus’ als het hoogtepunt van dit recital hebben ervaren, en dat was het! Om te beginnen bleek deze muziek helemaal niet ontoegankelijk. Het bedwelmende ‘Le baiser de l’Enfant-Jésus’ is zelfs uitgesproken consonant. Het waren echter bovenal Minnaars schitterende toonvorming, meesterlijke beheersing en ongebreidelde fantasie die deze uitvoering op het artistiek hoogst denkbare plan brachten. Ondanks de religieuze thematiek is nr.10 ‘Regard de l’Esprit de joie’, door Minnaar als laatste gespeeld, ronduit swingend. In de uitbundige, syncopische exclamaties blijkt dit deel verrassend genoeg zelfs verwant aan muziek van Gershwin. Minnaar onderstreepte dit door als toegift ‘I’ve got rhythm’ van deze Amerikaanse tegenhanger van Messiaen te spelen.

Met dit indrukwekkende recital toonde Hannes Minnaar aan dat hij zich in de serie Meesterpianisten tussen de buitenlandse pianogiganten goed staande heeft weten te houden. In ieder geval hoeft het Amsterdamse pianopubliek niet opnieuw ruim twintig jaar op een Nederlander in deze serie te wachten: in het seizoen 2020-2021 zal landgenoot Thomas Beijer daar zijn opwachting maken.