door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze, 30 januari 2020

photo © Yoshie Kuwayama

photo © Yoshie Kuwayama

‘Alle aardse geluk is een compromis tussen droom en werkelijkheid’, schreef Marcel Proust (1885-1922), de Franse schrijver aan wie ik altijd moet denken wanneer de fijnzinnige Duitse pianist Severin von Eckardstein (1978) wegdroomt achter de vleugel. Net als Proust vertoeft de introverte Von Eckardstein van nature liever in een droomwereld, dan in de wereld van roem, geld en macht. Sinds hij in 2003 het Reine Elisabeth Concours in Brussel won, nam zijn pianocarrière als vanzelf een hoge vlucht, zonder dat de destijds heel schuw en kwetsbaar overkomende Von Eckardstein daar erg veel moeite voor leek te doen. Hij speelt even graag in de relatieve afgelegenheid van de Edesche Concertzaal als in Het Concertgebouw. Liever nog dan alle aandacht op zichzelf als ‘pianovirtuoos’ te vestigen, speelt hij kamermuziek met musici waarmee hij zich vertrouwd en verwant voelt. Toch gaf Von Eckardstein al meerdere keren een recital in de serie Meesterpianisten en altijd wist hij daarbij op een wonderlijke manier veel indruk te maken. Aanvankelijk dodelijk verlegen, zijn gezicht verscholen achter zijn blonde haren, zijn lijf zo tenger dat je soms vreesde dat hij doormidden zou breken…

Inmiddels lijkt Von Eckardstein zo vertrouwd te zijn geraakt met de grote concertpodia, dat zijn schuwheid naar de achtergrond verdwenen is. Ook fysiek oogt de introverte pianist nu wat minder fragiel, maar zijn spel heeft nog altijd die fascinerende kwaliteit van droom en verwondering, puurheid en mysterieuze diepzinnigheid. In een interview met Joost Galema vergeleek Von Eckardstein zichzelf onlangs met een strofe uit het gedicht De Panter van de Duitse dichter Rilke. In dit gedicht beschrijft Rilke hoe het getergde zwarte roofdier zich achter de tralies van de Parijse dierentuin de Jardin des Plantes moet voelen: ‘De zachtheid van zijn lenig sterke pas, /die altijd weer de kleinste kring beschrijft,/ is als een dans van kracht rondom een as, /waarin een machtig willen is verstijfd.’

Von Eckardstein beleeft zijn publieke rol als gevierd solist een beetje alsof hij die panter is die, of hij dat nu leuk vindt of niet, gemonsterd wordt door de ogen en oren van het publiek, wat voor de overgevoelige pianist soms bijna moet aanvoelen als geestelijke ‘verkrachting.’ Hij is er eigenlijk helemaal niet op uit om met zijn muzikale talenten naar buiten te treden, maar hij kan nu eenmaal heel mooi piano spelen en dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee die hem als het ware ‘dwingen’ zichzelf als persoon voor de leeuwen te gooien.

In zijn eigen woorden: ‘Net zoals bij Rilkes panter rommelt het bij mij vooral onderhuids. Een vulkaan is misschien een goede metafoor: diep van binnen schudt het, maar het blijft steeds de vraag of er een uitbarsting komt. Kennelijk schuilt dat in mijn aard. Wie het podium betreedt als pianist, moet zichzelf blootgeven. Ik kan mijn natuur niet verloochenen. En introvert zijn is niet erg, leerden de jaren me, zolang mijn spel maar energie bezit.’

En energie bezat het pianospel van Von Eckardstein, die excelleert in het samenstellen van eigenzinnige recitalprogramma’s, afgelopen zondag al vanaf de inzet van Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune in een zelden uitgevoerd arrangement van de Russische pianist en componist Vyacheslav Gryaznov (1982). Met een fluwelen toucher dat nog meer zelfbewust, kleurrijk en welluidend klonk dan voorheen, manifesteerde Von Eckardstein zich als de bevlogen ‘verklanker’ van de erotische verlangens van de faun voor zijn gevolg van nimfen, maar die alweer in slaap valt voordat hij zijn sensuele dromen waar heeft kunnen maken.

Op deze introductie volgde het tiendelige, overduidelijk door Debussy geïnspireerde La maison dans les dunes van Gabriel Dupont (1878-1914), typisch zo’n vrijwel nooit gespeelde componist waarvoor Von Eckardstein graag een lans wil breken. En dat deed hij met veel overtuiging. De titels van dit werk roepen stuk voor stuk de atmosfeer van een gedicht op: Voiles sur l’eau, La maison du souvenir, Mélancolie du bonheur…. , om er maar een paar te noemen. Dupont, die al jong aan tuberculose leed en wist dat hem een vroege dood te wachten stond, probeerde in zijn tussen romantiek en impressionisme schommelende muziek niet alleen de in de titels aangeduide onderwerpen in ‘klankbeelden’ te vangen, maar reikte dieper: de tot de verbeelding sprekende landschappen die hij schetst in zijn La maison dans les dunes, in de jaren 1908-1909 gecomponeerd in het aan de zuidwestelijke kust van Frankrijk gelegen Arcachon, zijn tegelijkertijd ook manifestaties van zijn innerlijke landschappen.

Zo verwijst het ruisen van de zee ook naar de onrust van de ziel. Het moge duidelijk zijn dat deze gevoelige en poëtische muziek Von Eckardstein op het lijf geschreven bleek te zijn: teder en zwoel aanzwellend en dan weer geheimzinnig wegebbend, bewoog de pianist zich in een zee van meerstemmigheden tussen pianissimo en fortissimo heen en weer, schijnbaar zonder moeite, alsof Duponts muziek ter plekke uit hemzelf opborrelde.

Er volgde gangbaarder repertoire na de pauze, waarbij Von Eckardstein zich een beetje vergaloppeerde aan de Polonaise-Fantaisie van Chopin, die hij in fonkelende melodielijnen en fraaie dynamische schakeringen uiteenzette, zonder echter de complexe structuur ervan op een coherente manier tot uitdrukking te brengen. De noten en ritmes van Chopin zwommen onder zijn bekwame handen als het ware een beetje weg uit het stramien van de coherente samenhang, waardoor de Polonaise-Fantaisie wat onsamenhangend uit de verf kwam. Dit bezwaar verdween als sneeuw voor de zon in Von Eckardsteins meesterlijke interpretatie van de achttien miniaturen uit Schumanns beruchte Davidsbündlertänze, op. 6, deel I en II, waarin de emoties hoog oplaaien maar de vormgeving van nature dwingender is. Of het nu een wals, polonaise of melodisch cantabile betreft, Schumann heeft de compositorische loopplanken in deze stukken al zo helder uiteengezet, dat Von Eckardstein er met al zijn creativiteit en pianistisch meesterschap kleur en inhoud aan kon geven.

En dat is precies wat hij deed met onvermoede nuances in zijn vloeiende fraseringen, betoverende klankkleuren, fraai uitgelichte tussenstemmen en subtiele spotlights op Schumanns vaak zo ontroerende harmonieën. Ook nu weer alsof de muziek schijnbaar vanzelf uit hem opwelde, als uit een droomwereld die misschien wel reëler is en tot een dieper en fijnzinniger contact met de componist leidt, dan de cerebrale werkelijkheid waarin de gemiddelde mens zich ophoudt.

Tot besluit leefde Von Eckardstein zich uit in twee imposante toegiften: een geparfumeerde vertolking van 4 Lyrical Fragments van Medtner, gevolgd door een ijzersterke lezing van de Suggestion diabolique op. 4 nr. 4 van Prokofjev, een stuk dat door zijn genadeloze structuur inslaat als een bom. Bijna kwam de vulkaan die in Von Eckardsteins binnenste broeit tijdens Prokofjev tot een volledige uitbarsting en voor even brak de zwarte panter uit zijn kooi.