door Wenneke Savenije, De Nieuwe Muze , 26-03-2019 

Een keer eerder, precies 27 jaar geleden, maakte ze haar glorieuze opwachting in de serie Meesterpianisten. Maar met het twintigjarige jubileum van de serie in 2007 zette ze Marco Riaskoff, geheel conform haar reputatie, last minute voor het blok: door de raadselachtige verdwijning van een van haar zes kleindochters in Zwitserland kwam ze niet opdagen. Nelson Freire viel in en na enkele dagen was de kleindochter weer terecht. Het blijft spannend wanneer je de Argentijnse klaviertijgerin Martha Argerich (77) voor een concert uitnodigt, maar de laatste tijd lijkt er sprake te zijn van een voorzichtige ‘comeback’ in Nederland. Begin 2018 speelde ze pianotrio’s met violiste Janine Jansen en cellist Mischa Maisky (71) in het Concertgebouw, waarbij Argerich zich met haar nog altijd ongeschonden oerkracht instrumentaal en muzikaal manifesteerde als de Leading Lady van het ad hoc trio. Eind 2018 dook ze door toedoen van de nieuwe chef-dirigent Lahav Shani onverwachts op bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest om, voorafgaand aan het officiële kerstconcert met werken van Bach, een spectaculaire uitvoering te geven van haar ‘lijfstuk’: het Derde pianoconcert van Prokofjiev, dat ze al in 1967 voor het eerst opnam met Claudia Abbado. Slofte ze daarbij met waarneembare tegenzin (Argerich is nog altijd bloednerveus voor een optreden) en de uitstraling van een charmante hippie op leeftijd het podium van De Doelen op, eenmaal achter de vleugel vloog Argerich er ineens op de razende ritmes van Prokofiev III vandoor. Haar spel klonk even vurig, virtuoos, onstuimig, trefzeker, expressief en charismatisch als in haar jonge jaren, waarna ze samen met Shani nog een schitterende uitvoering gaf van drie delen uit Ravels ‘Ma mère l’Oye’ voor piano vierhandig. Ook hier nam de soevereine Argerich als vanzelf de leiding.

En afgelopen zondag kwam ze opnieuw, zij het met een extra pianiste en een last minute omgegooid pianoduo-programma, dat ze van achter naar voren speelde. Friso Verschoor, de rechterhand van Marco Riaskoff, legde uit hoe dat zo kwam: Stephen Kovacevich, de vader van de jongste van haar drie dochters met wie Argerich in goede verstandhouding al 27 jaar lang een pianoduo vormt, had in Londen zo hard gestudeerd op Rachmaninoffs Symfonische Dansen, op. 45 dat hij een handblessure opliep. Om die reden werd op het laatste moment besloten Lylia Zilberstein, ook al sinds 20 jaar vaste duo-partner van Argerich, in te vliegen.

Met een spraakmakend sonore en orkestrale uitvoering van Rachmaninoffs complexe dansen vierden beide dames hun jubileum en dat paste uitstekend in het Jaar van de vrouw, want ‘mannelijke kracht’ en Argerich zijn bijna synoniem en Zilberstein bleek als pianiste mans genoeg om haar in alle opzichten te kunnen volgen en muzikaal van repliek te dienen.

Maar hoe goed Zilberstein ook speelde, zelfs met de ogen dicht kon je de stemvoering van Argerich moeiteloos ontwarren uit het polyfone stemmenweefsel, door die verpletterend natuurlijke zeggingskracht van elke door haar gespeelde frase. De miraculeuze Argerich valt zo volledig samen met haar spel, dat er geen twijfel mogelijk is wie daar, om het even in welk stuk, met haar nog altijd razend snelle en soepele handen de vleugel laat resoneren met de muziek én de taal van haar ziel. Ze speelt geen piano en ze is ook niet de piano, ze transformeert met piano en al in de muziek! Zo klonk  Rachmaninoff als een opwindende afwisseling van strijdlustige erupties en tedere momenten, waarbij de als twee amazones door de partituur heen galopperende pianistes zo energiek en levenslustig te werk gingen, dat zelfs het sombere Dies-irae motief in de finale daadwerkelijk ging klinken als een overwinning op zonde en dood en daarmee als een lofzang op de schepping.

Na de pauze werd het echter allemaal nog mooier en ontroerender, toen Argerich het podium op stiefelde met haar ex geliefde, met wie ze zo vertrouwd is dat alle muzikale vormelijkheid het veld ruimde voor een waarachtige ontmoeting tussen zielsverwanten. Kovacevich (78) – die zich fysiek nog wel in staat achtte En blanc et noir, Lindaraja en Prèlude à l’ àpres midi d’un faune voor twee piano’s van Debussy tot een goed einde te brengen – gezeten op een extreem lage pianokruk, Argerich boven hem uitstijgend  op een hoge kruk.

Zo stak het duo van wal om al vanaf de openingsmaten ‘zielsmagie’ op te roepen en met Debussy’s schilderachtige klankimpressies een betoverende atmosfeer te creëren, die je zelfs in het Concertgebouw maar hoogst zelden kan meemaken. De sublieme, instinctieve, onstuimige en onweerstaanbaar muzikale Argerich, voor wie muziek al drie kwart eeuw haar enige echte moedertaal is, en de meer uitgebalanceerde en analytische Kovacevich, die van nature een prachtig tegenwicht vormt tegen het ogenschijnlijk altijd voorwaarts snellende, heftige, emotionele en toch volmaakt beheerste spel van zijn duo-partner, speelden samen de sterren uit de hemel en maakten duidelijk dat in de muziek alle grenzen van fysieke en mentale leeftijd vervagen vanaf het moment dat twee volstrekt integere en ‘authentieke’ musici erin slagen eensluidend op te gaan in iets hogers waarvoor geen woorden bestaan.

In de woorden van Argerich, die in de prachtige documentaire Bloody Daughter (2012) van haar dochter Stéphanie Kovacevich probeert te omschrijven wat muziek voor haar betekent:

‘Ik weet het niet … Hoe moet ik het uitleggen … Je moet luisteren … Het is nutteloos om over muziek te praten … Het heeft geen zin … Woorden kunnen het niet uitleggen … Je kunt muziek niet verklaren, net zo min als wat je voelt … Hoe kun je dat uitleggen? … Het gaat dieper dan woorden… Het gaat aan woorden voorbij…. Ik ontdek altijd wat nieuws, of er komen dingen bij me op wanneer ik stukken speel die ik al vaak heb gespeeld … Zo luister ik ook… Het is gecompliceerd … Je moet jezelf vooral niet gaan imiteren, maar je moet ook niet slechter gaan spelen … Ik denk dat je met de leeftijd misschien een complex ontwikkelt … Dat je minder zeker bent om bepaalde dingen te kunnen doen, en misschien ook om minder fris en crispy te klinken … Dat er met je spel een beetje hetzelfde gebeurt als wat er fysiek gaande is … Soms word je bang … Ik vraag altijd: ‘Kan iemand me vertellen of het met mijn spel de verkeerde kant op gaat?’ … Maar er is ook die relatie met muziek, waarin alles altijd nieuw is. Een beetje zoals in de liefde … Wat moet ik erover zeggen?’ Dan haalt de nog in haar bed liggende Argerich, die bij voorkeur ’s nachts leeft, haar schouders op en lacht.

Al haar leven lang probeert Argerich zich aan iedere rol in het leven te onttrekken, door chaos en verwarring om zich heen te creëren, behalve dan wanneer ze muziek maakt (al sinds begin jaren tachtig bij voorkeur met anderen, want alleen op het podium vind ze ‘te eenzaam’) of haar dochters op unieke wijze bemoedert. Daarmee tart ze niet alleen alle gedragscodes van het internationale concertbedrijf, maar met terugwerkende kracht ook haar dwingende moeder, haar kortstondig opduikende en weer verdwijnende echtgenoten en geliefden, haar veeleisende managers (‘Ik ben geen soldaat, die naar het front moet’), de op sensatie beluste journalisten, en alles wat het leven voor haar bedreigend en ingewikkeld maakt. Zo houdt ze haar innerlijke vuur ongeschonden gaande, verdaagt ze ouderdom en ziekte, en leeft ze enkel en alleen voor en door de muziek. Wat haar er niet van weerhoudt jonge musici te steunen, charmant maar verlegen vele prijzen en onderscheidingen in ontvangst te nemen en zelfs, een paar jaar terug, haar opwachting te maken in het Witte Huis omdat ze het zo leuk vond Obama een keer te ontmoeten. Hopelijk zal ze blijven pianospelen totdat ze erbij neervalt. Want Argerich is en blijft Argerich, voor altijd de Leading Queen onder de grote pianisten.